
Rubrieken
Bijlage 1 rubriek 23
Steengroeven en dagbouwmijnen, met inbegrip van ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind, met een terreinoppervlakte van meer dan 10 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare.
Bijlage 2 rubriek 2a
Steengroeven en dagbouwmijnen, met inbegrip van ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind en turfwinningen.
Definities en begrippen
Het decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen bevat in artikel 2 volgende definities, die ook van toepassing zijn op deze handleiding:
- Oppervlaktedelfstof: elke delfstof die, als geologische afzetting, aan of in de nabijheid van het aardoppervlakte in open lucht wordt ontgonnen, met uitzondering van de delfstoffen die worden ontgonnen in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning.
- Ontginning: de activiteit waarbij oppervlaktedelfstoffen worden onttrokken aan de bodem via bovengrondse exploitatie.
- Ontginningsgebied: een gebied dat volgens de plannen van aanleg en volgens de ruimtelijke uitvoeringsplannen bestemd is voor ontginning”.
Daarnaast worden ook enkele begrippen gebruikt die niet in bovengenoemd decreet zijn opgenomen:
- Steengroeve: plaats waar natuursteen ontgonnen wordt.
- Dagbouwmijn: ontginning van delfstoffen aan de oppervlakte.
- Terreinoppervlakte: de oppervlakte voor ontginning die zal opgenomen worden in de vergunningsaanvraag (inclusief beschermingsstroken1) volgens rubriek 18 van de Vlaremindelingslijst. Oppervlaktes die niet ontginbaar zijn door bijvoorbeeld de aanwezigheid van huizen, hoogspanningspylonen, wegenis, … maken geen deel uit van de terreinoppervlakte indien ze niet in de vergunningsaanvraag zullen opgenomen worden volgens rubriek 18 van de indelingslijst van Vlarem.
Toepassing rubrieken
Bijlage 1, rubriek 23
De opmaak van een project-MER is verplicht in de volgende gevallen zonder mogelijkheid tot het indienen van een project-m.e.r.-screening:
- Nieuwe ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind met een terreinoppervlakte van meer dan 10 hectare.
- Nieuwe turfwinningen met een terreinoppervlakte groter dan 150 hectare.
- Uitbreidingen van bestaande ontginningen van oppervlaktedelfstoffen of grind waarbij de uitbreiding meer dan 10 hectare beslaat.
- Uitbreidingen van bestaande turfwinningen waarbij de uitbreiding meer dan 150 hectare beslaat.
Inzake de inhoudelijke vereisten van een project-MER voor een ontginningsproject wordt verwezen naar het Richtlijnenboek ontginningen.
Bijlage 2, rubriek 2a
Indien de drempelwaarden van bijlage 1 niet overschreden worden, moet minstens een project-m.e.r.-screening opgemaakt worden.
Dit komt van toepassing op bijvoorbeeld:
- Ontginningen met een te vergunnen oppervlakte kleiner dan 10 hectare.
- Ontginningen met een te vergunnen oppervlakte kleiner dan 10 hectare, gelegen binnen ontginningsgebieden groter dan 10 hectare.
Wijzigings- en uitbreidingsrubrieken
Projecten die niet onder de hierboven vermelde rubrieken vallen, moeten getoetst worden aan de wijzigings- en uitbreidingsrubrieken van bijlage 1 en 2. Voor een algemene toelichting over wijzigings- en uitbreidingsrubrieken, zie aparte pagina. Voor ontginningsprojecten kunnen onder andere de volgende aanpassingen als wijziging of uitbreiding worden beschouwd:
- Uitbreidingen van de terreinoppervlakte of ontginbare oppervlakte van een bestaande ontginning.
- Wijzigingen van de ontgravingsdiepte van de ontginning.
In deze gevallen valt het project doorgaans ook rechtstreeks onder de ontginningsrubrieken van bijlage 1 of 2. Er moet dus systematisch worden nagegaan welke bijlage van toepassing is, rekening houdend met de terreinoppervlakte.
❌ Volgende activiteiten vallen niet onder de wijzigings- of uitbreidingsrubrieken:
- Het aanleggen van geluidsbermen.
- Het opvullen van reeds ontgonnen groevedelen voor de afwerking in functie van de nabestemming. Let op: hoewel dit niet leidt tot een m.e.r.-plicht, moet de opvulling wel worden meegenomen in de milieueffectrapportage.
- Uitgravingen in het kader van natuurcompensaties, voor zover deze niet plaatsvinden in een ontginningsgebied zoals aangeduid in plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Let op: natuurcompensaties kunnen ook andere maatregelen omvatten die wel m.e.r.-plichtig zijn volgens andere m.e.r.-rubrieken.
Aandachtspunten project-m.e.r.-screening
Voor de opmaak van de project-m.e.r.-screening kan je gebruik maken van de
(zie handleiding). In de project-m.e.r.-screening kan verwezen worden naar informatie die in andere documenten van het vergunningsaanvraagdossier is opgenomen. Het is niet nodig om de informatie dubbel ter beschikking te stellen. Meer informatie over de project-m.e.r.-screeningsprocedure vind je in de algemene handleiding project-m.e.r.-screening.
Aandachtspunten voor ontginningen:
- Voor de inhoud verwijzen we naar het Richtlijnenboek ontginningen. De diepgang van een project-m.e.r.-screening zal echter minder groot zijn dan wanneer een project-MER opgemaakt wordt. De te onderzoeken aspecten zijn echter wel gelijkaardig.
- Belangrijke criteria die een invloed hebben op de uitgebreidheid van de screening:
- ligging in of nabij gevoelig gebied inzake natuur of landschap (SBZ, VEN, natuurreservaat, erfgoedlandschap, …)
- ligging in of nabij woongebied
- grootte van de uitbreiding
- cumulatie met andere projecten in de omgeving
- noodzaak bemaling of beïnvloeding grondwatertafel.
a
1. Beschermingsstroken rond de ontginning (zoals geregeld in Titel II van het Vlarem, hoofdstuk 5.18) moeten ook in rekening gebracht worden, aangezien bij de uiteindelijke vergunningverlening hier eventueel afwijkingen kunnen toegestaan worden ten opzichte van de Vlarem-reglementering. Op deze wijze is naar m.e.r.-methodiek toe uitgegaan van een worst-case situatie bij de bepaling van de m.e.r.-plicht en wordt vermeden dat bij afwijkingen in de vergunningen of latere wijzigingen aan de reglementering de m.e.r.-plicht in vraag gesteld wordt.