- Created by Inge De Cat, last updated on Dec 04, 2025 11 minute read
Rubrieken
Bijlage 1 rubriek 13
Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, de chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA of het storten van gevaarlijke afvalstoffen
Bijlage 1 rubriek 14
Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, of chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel artikel 4.2.1 VLAREMA, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag
Bijlage 2 rubriek 11a
Installaties voor de verwijdering of het storten van afval
Bijlage 2 rubriek 11c
Slibstortplaatsen
Bijlage 2 rubriek 11d
Monostortplaatsen voor baggerspecie of ruimingsspecie, afkomstig van de oppervlaktewateren van het openbaar hydrografisch net
Bijlage 2 rubriek 11e
Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken
Verwante regelgeving
Afvalgerelateerde inrichtingen en activiteiten vallen vaak onder het toepassingsgebied van verschillende regelgevingen. Tussen deze regelgevingen bestaan er heel wat raakvlakken, maar het is belangrijk te beseffen dat elke regelgeving een eigen doelstelling nastreeft. Daardoor kunnen definities en begrippen verschillen, en mogen we ze niet zomaar uitwisselbaar gebruiken als ze niet expliciet in de andere regelgeving zijn opgenomen.
We moeten steeds het algemeen doel van de m.e.r.-richtlijn voor ogen houden: projecten die mogelijk aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, moeten een milieueffectenrapport opmaken. In dat kader bekijken we eerst kort enkele relevante en verwante regelgevingen.
Artikel 1 van de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) omschrijft het toepassingsgebied van deze richtlijn. Het doel is om maatregelen vast te stellen ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid, door negatieve gevolgen van afvalproductie en -beheer te voorkomen of te beperken. Daarnaast wil de richtlijn ook het gebruik van hulpbronnen verduurzamen en de efficiëntie ervan verbeteren.
In Vlaanderen is deze Europese onder meer geïmplementeerd via het Materialendecreet en het VLAREMA. De vergunningsplicht voor afvalverwerkende inrichtingen is vastgelegd in het Materialendecreet van 23 december 2011 en de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Deze zijn opgenomen in de indelingslijst van VLAREM, onder rubriek 2.
Definities en begrippen
Afvalstof
Het Materialendecreet definieert een afvalstof als: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
De volgende stoffen worden niet als afvalstoffen beschouwd:
- gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten, en koolstofdioxide dat wordt afgevangen en getransporteerd met het oog op geologische opslag, en dat geologisch is opgeslagen overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond
- dierlijke mest zoals omschreven in het Mestdecreet van 22 december 2006
- het al dan niet verontreinigde water dat wordt geloosd in een oppervlaktewater of in de openbare waterzuiveringsinfrastructuur, inclusief in situbehandeling, met inbegrip van de ontwatering van het ter plaatse geproduceerde slib, die bedoeld is om dat water in overeenstemming te brengen met de milieuvoorwaarden die gelden voor de lozing
- huishoudelijk en bedrijfsafvalwater dat indirect wordt geloosd volgende het decreet van 24 januari 1984 inzake het grondwaterbeheer en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning
- onuitgegraven bodem, inclusief duurzaam met de bodem verbonden gebouwen
- radioactieve afvalstoffen, die niet als vrijgegeven afvalstoffen worden beschouwd volgens het samenwerkingsakkoord van 17 oktober 2002 tussen de federale Staat en de Gewesten van 17 oktober 2002.
VLAREM neemt deze definitie over om de vergunningsplicht te bepalen. Daarom is deze definitie ook relevant binnen de context van milieueffectrapportage.
Belangrijke definities uit Materialendecreet (art.3)
- Afvalstoffenverwerking: nuttige toepassing of verwijdering, inclusief voorbereidende handelingen.
- Hergebruik: elke handeling waarbij voorwerpen of componenten van voorwerpen die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld.
- Nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, alsook de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse Regering.
- Recyclage: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dat omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal.
Andere definities en verduidelijkingen in m.e.r.-context
Verwijdering
Volgens het arrest C-486/04 van het Europees Hof verwijst de term verwijdering in de oorspronkelijke afvalrichtlijn zowel naar definitieve verwijdering als naar nuttige toepassing. Dit impliceert dat ook installaties voor nuttige toepassing onder de m.e.r.-plicht vallen. Bovendien wijst het Hof erop dat volgens haar rechtspraak richtlijn 85/337 een ruime werkingssfeer en een zeer breed doel heeft (Arrest C-72-95 en arrest C-227/01).
De commissie voegt eraan toe dat de milieueffecten van een installatie voor nuttige toepassing vergelijkbaar zijn met die van een installatie voor verwijdering van afvalstoffen. De m.e.r.-richtlijn bevat geen algemene definities voor de begrippen 'verwijdering' of 'nuttige toepassing', maar slechts een verwijzing naar verschillende handelingen die onder het ene of het andere begrip vallen (Arrest C-6/00).
Het essentiële kenmerk van nuttige toepassing is dat afvalstoffen een nuttige functie vervullen door andere materialen te vervangen. Dit staat los van de milieugevolgen van de toepassing zelf, die net als bij verwijdering aanzienlijk kunnen zijn. Artikel 4 van richtlijn 75/442 verplicht bovendien dat zowel verwijdering als nuttige toepassing veilig moet gebeuren zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
In de context van milieueffectrapportage moet het begrip afvalverwijdering ruim geïnterpreteerd worden. Ook installaties voor nuttige toepassing van afvalstoffen zijn m.e.r.-plichtig.
Afvalverwijderingsinstallatie voor verbranding of verbrandingsinstallatie
VLAREM II definieert een verbrandingsinstallatie als een vaste of mobiele technische eenheid of inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte. Dit omvat verbranding door oxidatie van afval, andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand (VLAREM II, art. 1.1.2). Onder deze definitie vallen zowel de D-rubrieken (verwijdering) als de R-rubrieken (nuttige toepassing), zoals vermeld in VLAREM-rubriek 2.4.2.
Verbranding wordt in deze wetgevende context dus ruimer geïnterpreteerd dan in de zuiver wetenschappelijke zin. Naast oxidatie van een brandstof (bv. afval) in aanwezigheid van zuurstof, omvat het ook andere thermische behandelingsprocessen. De opsomming in de definitie is niet-limitatief. Ook andere of recent ontwikkelde technieken zoals torrefractie of thermische desorptie vallen onder dit toepassingsgebied.
Chemische behandeling
Rubriek 13 en 14 van bijlage 1 van het m.e.r.-besluit wordt voor het begrip chemische behandeling expliciet verwezen naar punt D9 van art.4.2.1 van het VLAREMA.
Hoewel de verwijzing gebaseerd is op Europese richtlijnen, blijkt dat er een verschil is in de interpretatie. De Europese afvalstoffenrichtlijn spreekt in D9 van fysisch-chemische behandeling terwijl de Europese project-m.e.r.-richtlijn het heeft over chemische behandelingen. De Europese commissie verduidelijkt in haar handleiding1 dat bij de interpretatie van rubrieken rekening moet worden gehouden met de brede doelstelling van de richtlijn en haar algemeen doel om het leefmilieu te beschermen. Daarom moeten ook fysico-chemische behandelingen worden meegenomen.
Art. 4.2.1 van het VLAREMA omschrijft D9 als fysisch-chemische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12 (bijvoorbeeld verdampen, drogen, calcineren). Dit betreft dus een residuele categorie voor behandelingen die niet onder andere rubrieken vallen.
De Basel-conventie biedt een nuttige technische richtlijn2 om de residuele categorie te verduidelijken. Deze internationale overeenkomst over het beheer van gevaarlijke afvalstoffen deelt fysico-chemische afvalverwerking op in 5 categorieën:
- Mechanische technieken
- Chemische technieken
- Fysico-chemische technieken
- Immobilisatietechnieken
- Biologische technieken
In m.e.r. verstaan we onder chemische behandeling zowel de chemische als fysico-chemische technieken, zoals gedefinieerd in de technische handleiding van de conventie van Basel.
Storten en stortplaatsen
Volgens art. 1.1.2 van VLAREM II is een stortplaats een afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem (d.w.z. onder de grond), met inbegrip van:
- interne afvalstortplaatsen (d.w.z. stortplaatsen waar een afvalproducent zijn eigen afval op de plaats van de productie verwijdert), en
- een terrein dat permanent (d.w.z. meer dan een jaar lang) wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van afval,
maar met uitsluiting van:
- voorzieningen waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering elders, en
- van opslag van afval voorafgaand aan terugwinning of behandeling voor een periode van in de regel minder dan drie jaar, of
- van opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering, voor een periode van minder dan een jaar.
Stortplaatsen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën:
- Categorie 1: bestemd voor gevaarlijke afvalstoffen (rubriek 2.3.6 c)
- Categorie 2: bestemd voor niet-gevaarlijke afvalstoffen (rubriek 2.3.6 b)
Voor categorie 1 stortplaatsen moet steeds een project-MER opgemaakt worden volgens rubriek 13 van bijlage 1.
Gevaarlijke afvalstoffen
De Europese handleiding verwijst voor de definitie van gevaarlijk afval naar de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen. Volgens het Materialendecreet zijn gevaarlijke afvalstoffen: afvalstoffen die een bijzonder gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu opleveren of kunnen opleveren of die in speciale inrichtingen verwerkt moeten worden. De Vlaamse Regering bepaalt welke afvalstoffen als gevaarlijke afvalstoffen worden beschouwd, conform Europese voorschriften.
In het VLAREMA (bijlage 2.1) zijn gevaarlijke afvalstoffen aangeduid met een "*" aangeduid. Deze afvalstoffen bezitten minstens één van de gevaarlijke eigenschappen uit de Europese verordening 1357/2014. Meer uitleg over gevaarlijke afvalstoffen kan je terugvinden in de Eural handleiding van OVAM.
Biomassa-afval
Volgens het OVAM-actieplan: Suurzaam beheer van biomassa(rest)stromen 2015 – 2020 (14 juli 2015):
- Biomassa is de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en reststromen van biologische oorsprong uit de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval.
- Biomassareststromen: biomassa-afval en biomassafracties niet bestemd voor het doel waarvoor ze intentioneel werden geteeld, zoals voeding, energie (incl. nevenstromen van de voedingsindustrie en dierlijke bijproducten; excl. energieteelten). Energieteelten die men doelbewust teelt om er bio-energie uit te halen, vallen niet onder de biomassareststromen (bv. wilg/populier).
- Biomassa-afval is de al dan niet gescheiden ingezamelde biologisch afbreekbare fractie van bedrijfsafval en huishoudelijk afval (onderverdeling volgens type en oorsprong).
De OVAM bepaalt wanneer iets biomassa-afval is of niet.
Schroot
Onder schroot verstaan we alle metaalafvalstoffen in metallische, niet-verspreidende vorm. Dit omvat:
- zuiver metaalafval, zowel ferro (ijzer) als non-ferro (aluminium, lood, koper, tin, zink, ...)
- te bewerken materialen, zoals autowrakken, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), …
De uitgesorteerde fracties van het ontvangen schroot zijn nog steeds afvalstoffen en vallen dus onder het toepassingsgebied voor opslag van schroot.
Slibstortplaatsen en monostortplaatsen voor baggerspecie
Rubriek 11c en 11d van bijlage 2 van het MER-besluit maakt onderscheid tussen slibstortplaatsen (11 c) en monostortplaatsen voor baggerspecie of ruimingsspecie (11d).
Een monostortplaats is elke stortplaats waar één bepaalde afvalstof in grote hoeveelheden afzonderlijk wordt gestort. Om te bepalen welke rubriek van toepassing is, moet je kijken naar de context en afkomst van het materiaal. De VLAREM-rubrieken die je moet aanvragen kan je gebruiken als richtlijn.
Baggerspecie of ruimingsspecie zijn afkomstig van het ruimen, verdiepen of verbreden van bevaarbare en onbevaarbare waterlopen die behoren tot het openbaar hydrografisch net, of van de aanleg van nieuwe waterinfrastructuur (VLAREM-rubrieken 2.2.8 en 2.3.7).
Slib kan in Vlaanderen gestort worden op een categorie 1 of 2 stortplaatsen, afhankelijk van de herkomst en de eigenschappen van het slib, op voorwaarde dat de betreffende stortplaats hiervoor vergund is. Door het hoge organische stofgehalte wordt slib meestal niet aanvaard op categorie 1 stortplaatsen (uitgezonderd monostortplaats Silvamo te Kortemark). Storten van slib gebeurt dus hoofdzakelijk op categorie 2 stortplaatsen. Storten op eigen terrein is alleen haalbaar voor grotere industrieën.
Voor opslag en fysico-chemische behandeling van andere slib (zoals bv. afkomstig van waterzuivering): VLAREM-rubrieken 2.2.5 en 2.3.2.
Afvalwater
Volgens het Materialendecreet is verontreinigd water dat na een in-situ-behandeling wordt geloosd in oppervlaktewater of in een openbare waterzuiveringsinstallatie (WZI) geen afvalstof. De memorie van toelichting bij het materialendecreet geeft meer toelichting over deze bepaling. Met in-situ-behandeling van afvalwater wordt de behandeling van afvalwater bedoeld op de plaats of binnen de milieutechnische eenheid waar het ontstaat. Ook de ontwatering van het bij de zuivering ontstane slib wordt beschouwd als onderdeel van het waterzuiveringsproces. Installaties, bedrijven of inrichtingen die via een pijpleiding met elkaar verbonden zijn en afvalwater onderling transporteren, beschouwen we in deze context als in-situ-behandeling van afvalwater.
Dit impliceert dat extern aangevoerd afvalwater (bv. via tankwagen, schip, …) wel als een afvalstof beschouwd moet worden, zelfs als de verwerking leidt tot een lozing.
Biologische en mechanische behandeling
De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde op 7 juli 2020 (RvVb-A-1920-0992) dat biologische en mechanische behandeling van afvalstoffen niet uitgesloten kan worden van de m.e.r.-plicht. Deze behandelingen vallen onder rubriek 11a van bijlage 2 van het MER-besluit. Deze rubriek verwijst naar installaties voor verwijdering van afvalstoffen in algemene bewoordingen. Bijgevolg is minstens een project-m.e.r.-screening vereist.
Gevaarlijke uitgegraven verontreinigde bodem
Om te bepalen of uitgegraven verontreinigde bodem als een gevaarlijke afvalstof moet worden beschouwd, kan je beroep doen op de EURAL handleiding van OVAM. Uitgegraven verontreinigde bodem valt onder de subcategorie 17.05. Code 17.05.03* is gevaarlijke uitgegraven bodem. Bodem die als niet gevaarlijke afvalstof moet beschouwd worden, heeft EURAL-code 17.05.04. Om de juiste EURAL-code te bepalen heeft OVAM de tool Euralwizard ontwikkeld.
Opslag van afval en slibstortplaatsen
Rubrieken 11c (slibstortplaatsen) en 11e (schrootopslag) van bijlage 2 zijn m.e.r.-plichtig ongeacht de capaciteit. Er moet dus minstens een project-m.e.r.-screening opgemaakt worden. Om te bepalen vanaf wanneer je een screening moet opmaken, gebruiken we de interpretatie voor opslag van afvalstoffen, nl.: Afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem (d.w.z. onder de grond), met inbegrip van:
- interne afvalstortplaatsen (d.w.z. stortplaatsen waar een afvalproducent zijn eigen afval op de plaats van de productie verwijdert), en
- een terrein dat permanent (d.w.z. meer dan een jaar lang) wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van afval,
maar met uitsluiting van:
- voorzieningen waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering elders, en
- van opslag van afval voorafgaand aan terugwinning of behandeling voor een periode van in de regel minder dan drie jaar, of
- van opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering, voor een periode van minder dan een jaar.
Dit betekent dat terreinen voor de opslag van afval (zoals bv. schroot, verontreinigde grond of slibstortplaatsen) m.e.r.-plichtig zijn, tenzij één van de uitsluitingen van toepassing is op het project. In dat geval geldt er geen m.e.r.-plicht. Slib moet je meestal op een stortplaats categorie 2 storten (vb. filterkoek van een WZI).
Asbestcement
Asbest is een gevaarlijke afvalstof. Toch mag asbestcement onder bepaalde voorwaarden gestort worden op een categorie 2 stortplaats voor niet-gevaarlijke afvalstoffen.
Let op: Het storten van asebestcementhoudend bouwafval is MER-plichtig volgens rubriek 13 van bijlage 1, omdat deze rubriek verwijst naar het storten van gevaarlijke afvalstoffen zonder de aard of categorie van de stortplaats te specifiëren.
Steekvast maken van slibs
Bij het steekvast maken van slib door toevoeging van hulpstoffen is het type behandeling bepalend voor de m.e.r.-plicht:
- fysische behandeling: bv. vocht onttrekken uit het slib absorptie zonder chemische reactie → niet m.e.r.-plichtig
- chemische behandeling: bv. een chemische reactie tussen het slib en de hulpstof → wel m.e.r.-plichtig
Bij twijfel: contacteer Team Omgevingseffecten via mer@vlaanderen.be.
Toepassing rubrieken
Bijlage 1, rubriek 13 en 14
Er geldt een project-MER-verplichting van rechtswege wanneer het voorgenomen project onder rubriek 13 of 14 van bijlage 1 valt. Beide rubrieken verwijzen naar dezelfde verwerkingstechnieken:
- verbranding
- fysico-chemische behandeling
- storten.
Het verschil tussen de twee rubrieken zit in het soort afvalstof dat verwerkt wordt:
- Rubriek 13: verwerking van gevaarlijke afvalstoffen via één (of meer) van de opgesomde verwerkingstechnieken → altijd project-MER-plichtig, ongeacht de verwerkingscapaciteit
- Rubriek 14: verwerking van ongevaarlijke afvalstoffen via één (of meer) van de opgesomde verwerkingstechnieken→ project-MER-plichtig vanaf een verwerkingscapacitiet van meer dan 100 ton per dag.
Bijlage 2, rubriek 11a, 11c
Rubriek 11a betreft installaties voor de verwijdering van afval.
- Er zijn geen bijkomende criteria opgenomen.
- Ook mechanische en biologische afvalbehandeling vallen onder deze rubriek en zijn dus m.e.r.-plichtig.
Rubriek 11c betreft slibstortplaatsen.
- Deze zijn m.e.r.-plichtig zodra een omgevingsvergunning vereist is, tenzij één van de uitzonderingen (zie hierboven) van toepassing is.
1. Interpretation of definitions of project categories of annex I and II of the EIA Directive, 2015.
2. Basel convention technical guidelines on hazardous wastes: Physico-chemical treatment (D9)
![]()
- No labels