Er moet aangetoond worden dat het plan geen aanzienlijke effecten veroorzaakt. Daarvoor moeten de mogelijkheden of kenmerken van het voorgenomen plan vergeleken worden met een referentietoestand/referentiesituatie. De referentiesituatie is de toestand van het milieu die als vergelijkingsbasis dient voor het beschrijven en beoordelen van de impact van een plan en is dus de toestand van de omgeving in afwezigheid van het plan.
In een aantal gevallen is er een verschil tussen de planologische bestemming van het plangebied en de feitelijke invulling ervan op het terrein. In die gevallen moet er een beoordeling gemaakt worden van de effecten van het plan ten opzichte van twee referentiesituaties (zie ook Algemene aandachtspunten - Deel 5.2 Effectbeoordelingen t.o.v. feitelijke en planologische referentietoestand)
Aandachtspunten:
Als er geen verschil is tussen de feitelijke en de planologische referentietoestand, dan wordt dit best expliciet vermeld in het hoofdstuk over de referentietoestand (tenzij dit overduidelijk is). In de hoofdstukken met de disciplines wordt dan doorgaans de ‘feitelijke referentiesituatie’ beschreven. Voor de opstellers van screenings is het immers meer intuïtief om de ‘toestand op het terrein’ te beschrijven en voor de lezers van screenings is het makkelijker om zich een beeld te vormen van de effecten van het plan t.o.v. deze ‘toestand op het terrein’. Deze feitelijke beschrijving vormt zo een concrete invulling van de planologische toestand.
Verderop in dit document wordt in de checklist met potentiële ingrepen (de JA/NEE-vragen) gevraagd om per discipline/effectgroep na te gaan of er door het plan mogelijke ingrepen zijn met een effect op die discipline/effectgroep. Als er twee referentietoestanden zijn, moeten deze JA/NEE-vragen bekeken worden vanuit beide referentietoestanden. Als het antwoord ‘ja’ is voor één referentietoestand maar niet voor de andere, kruis dan ‘ja’ aan. Bijvoorbeeld:
- Een RUP wijzigt de stedenbouwkundige voorschriften van een ouder RUP. Het plangebied is nu nog volledig onbebouwd. Het had al een bestemming ‘gemeenschapsvoorzieningen’. Het nieuwe RUP laat toe om aan de randen van het plangebied hoger en geconcentreerder te bouwen, maar de centrale zone moet nu onbebouwd blijven als blauw/groene zone. Er is in dit geval een toename van verkeer t.o.v. de feitelijke toestand (onbebouwd), maar niet t.o.v. de planologische toestand (bestemming woongebied). (dit voorbeeld is verder uitgewerkt in 4 - Overzichtstabel plan en referentiesituaties)
- Of omgekeerd: bij een aanvraag tot planologisch attest zit een bestaande maar zonevreemde, vergund geachte bedrijfsloods in agrarisch gebied mee in het planvoornemen. Men wil deze dus regulariseren. Er is geen toename van bebouwing en verkeer t.o.v. de feitelijke toestand (loods is al aanwezig) maar wel een toename van bebouwing en verkeer t.o.v. de planologische toestand (agrarisch gebied).
Bij de beschrijving van de effecten moet de klemtoon liggen op de effectbeschrijving ten opzichte van de meest kwetsbare toestand. Deze kan per gebied of plan verschillen: soms zal dit de feitelijke referentietoestand zijn en soms de planologische referentietoestand. Enkele voorbeelden:
- Op een gebied met als bestemming woon- of industriezone, die echter nooit gerealiseerd is, heeft zich spontaan bos ontwikkeld → feitelijke toestand = meest kwetsbaar.
- Een gebied heeft een bestemming ‘bosgebied’ maar er is een onvergunde zonevreemde invulling met recreatie → planologische toestand = meest kwetsbaar.
- Een gebied heeft vrij recent een ‘groene’ bestemming gekregen maar kent op dit moment nog weinig natuurwaarde → planologische toestand = meest kwetsbaar.
Planologische referentietoestand
Met de term planologische referentietoestand, ook juridische referentietoestand genoemd, wordt bedoeld: de huidig geldende bestemming binnen het voorgenomen plangebied en de omgeving, en de mogelijkheden (voorschriften) die hieraan gekoppeld zijn over toegelaten ontwikkelingen of activiteiten.
Het kan soms nuttig zijn om de oorspronkelijke gewestplanbestemming van het plangebied ook te vermelden, ook als deze intussen overschreven is door een BPA of RUP.
Bronnen: DSI-platform: uitwisselplatform voor digitale stedenbouwkundige informatie of info vanuit gemeente/provincie/Vlaams Gewest.
Feitelijke referentietoestand
Hiermee wordt de feitelijke invulling en het feitelijke gebruik van het voorgenomen plangebied en de omgeving bedoeld, namelijk wat er momenteel aanwezig is en hoe het gebied functioneert. Bijvoorbeeld: braakliggend terrein, leegstaande gebouwen, percelen in landbouwgebruik, woningen, bedrijven, gemeenschapsvoorzieningen, wegenis, lopende bodemsanering, ,…
Feitelijk aanwezige elementen die op een zekere kwetsbaarheid wijzen, zoals waardevolle natuur, de nabijheid van een school, … moeten zeker vermeld worden.
Zonevreemde en/of onvergunde constructies of functies zijn een speciaal geval. Als er dergelijke constructies zijn, geef dit dan duidelijk aan.
- Zonevreemde maar vergunde of vergund geachte constructies moeten beschouwd worden als onderdeel van de referentiesituatie.
- Onvergunde constructies (of activiteiten) mogen eigenlijk niet bestaan en maken dus in principe geen deel uit van de referentiesituatie in het plangebied. Soms vraagt een bedrijf een planologisch attest aan, of wordt een RUP gemaakt, om een planologische oplossing te bieden voor aanwezige onvergunde constructies. Deze maken dan het voorwerp uit van het plan. In de screening moeten ze uit de referentiesituatie 'weggedacht' worden om het effect van de 'regularisatie' correct in te schatten.
Als de aanwezige activiteiten, constructies, natuur, … zonevreemd zijn, kan het gegeven dat deze zonevreemd zijn ook al in de paragraaf over de feitelijke referentietoestand geschreven worden, om de aandacht van de lezer er op te vestigen. Maar een uitgebreide beschrijving van de geldende bestemming hoort in de paragraaf over de planologische referentietoestand.
In de omgeving van het plangebied kunnen ontwikkelingen lopende zijn die een invloed kunnen hebben op de feitelijke toestand in de toekomst. Ontwikkelingen waarvan het zeker of hoogst waarschijnlijk is dat deze in de nabije toekomst uitgevoerd of vastgelegd zullen worden, worden daarom ook beschreven bij de referentietoestand. Er moet rekening mee gehouden worden bij de beoordeling van de aanzienlijkheid van de effecten, voor de relevante disciplines. Enkele voorbeelden:
- Nabij het plangebied wordt er een grootschalige ontwikkeling voorzien waarbij het verkeer op dezelfde weg zal ontsluiten.
- In de nabije omgeving van het voorgenomen plangebied voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein wordt een woonontwikkeling voorzien (daar waar er vandaag nog geen kwetsbare functie aanwezig is). Het kan relevant zijn dat de inrichting van het nieuw bedrijventerrein rekening houdt met de toekomstige nabije bewoning (door afstand, buffering, afscherming, andere).
Bronnen: terreinbezoek, info vanuit stad/gemeente, kaarten: zie verder bij de disciplines