Detailleringsgraad van de screening en diepgang van de motivatie
De detailleringsgraad van de plan-m.e.r.-screening moet afgestemd zijn op de detailleringsgraad van het voorgenomen plan. In grote lijnen bestaan de volgende types plannen (al is het zeker niet nodig deze ook zo te benoemen in een plan-m.e.r.-screening):
- projectgedreven plannen, gekenmerkt door een hoge mate van detaillering en beschikbare info over de gewenste invulling en vaak een eerder klein of afgebakend plangebied
- gebiedsgerichte plannen die een visie inhouden voor een welbepaald gebied maar zonder vastgelegde programmatorische invulling
- visiegedreven plannen die een globale visie inhouden met nog erg grote vrijheidsgraden inzake programma, inrichting en gebruik en hierdoor minder concrete info over de exacte toekomstige invulling), en dit voor grotere plangebieden die bv. delen van kernen of gemeenten bevatten.
Als de detailleringsgraad van het voorgenomen plan al op maat van een concreet project is uitgewerkt, zal de effectbeschrijving ook meer gedetailleerd kunnen gebeuren. Dit kan bv. zo zijn voor aanvragen tot planologisch attest, voor herzieningen en opheffingen van verouderde voorschriften volgens artikel 7.4.4/1 van de VCRO, voor vrijgavebesluiten van woonreservegebied en voor sommige RUP’s.
Als het voorgenomen plan echter het kader kan vormen voor allerlei projecten, waarbij het programma, de inrichting, , … nog niet volledig vastgelegd wordt, zal de effectbeschrijving op het abstractieniveau van het plan dienen te blijven. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de vrijheidsgraden die het plan biedt naar ontwikkeling en functies in de toekomst. Dit vergt een denkoefening die rekening houdt met alle vrijheidsgraden die er op dat moment zijn. Indien dus bepaalde ingrepen of activiteiten nog niet bij voorbaat uitgesloten zijn, dan moet hier rekening mee worden gehouden bij de inschatting van potentiële milieueffecten. Wanneer het planvoornemen in een latere fase meer concreet wordt uitgewerkt, is het van belang dat de effectbeoordeling nog steeds van toepassing kan zijn.
De aard en omvang van de mogelijke planingrepen (wat is de ingreep, is het een eerder groot- of kleinschalig plan) en anderzijds de kwetsbaarheid van het plangebied en de omgeving bepalen verder de diepgang van het onderzoek. Ook de motivatie dat effecten niet aanzienlijk zijn kan dus variëren tussen zeer beknopt en uitgebreid.
Als er in de checklist met potentiële ingrepen (de JA/NEE-vragen) steeds ‘nee’ geantwoord wordt, is de motivatie zeer kort. Als op één of meerdere vragen ‘ja’ geantwoord wordt, dan is er een eerder beknopte tot meer uitgebreide motivatie nodig (zie Deel 6).
Effectbeoordelingen t.o.v. feitelijke en planologische referentietoestand
Als er een relevant verschil is tussen de feitelijke en de planologische referentietoestand , dient het effect van het planvoornemen ten opzichte van de beide referentietoestanden te worden beschreven. In vaste rechtspraak hierover voor RUP’s wordt dit dikwijls als volgt geformuleerd: “Bij de beoordeling van de milieueffecten van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet, uit het oogpunt van die milieueffecten, voor elke zone van het plan in de eerste plaats de vergelijking worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan (de planologische toets). De huidige feitelijke bestemming van het gebied is bij deze planologische toets niet relevant. Wanneer uit de voornoemde planologische toets blijkt dat er zich inzake milieueffecten een relevante wijziging voordoet, moet deze wijziging bij het onderzoek worden betrokken.
Voor het uitvoeren van een volledig en zorgvuldig effectonderzoek kan de voornoemde planologische toets echter niet volstaan wanneer de betrokken percelen zich vanuit milieuoogpunt in een bijzondere feitelijke situatie bevinden, zoals bij de vastgestelde aanwezigheid van waardevolle natuurelementen. In dat geval moet ook worden nagegaan of er, gelet op die bestaande feitelijke toestand, milieueffecten kunnen zijn bij de realisatie van het voorgenomen plan (de feitelijke toets)”.
Zie Referentietoestanden voor meer info over de praktische werkwijze als er 2 referentietoestanden zijn.
Toetsen aan de criteria uit bijlage I van het DABM
Volgens artikel 4.3.5 van het DABM moet er aan de onderstaande criteria (uit bijlage I van het DABM) getoetst worden of het een voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Deze termen of structuur worden zelden letterlijk overgenomen in een screening. De “kenmerken van plannen en programma’s” worden grotendeels beschreven in het hoofdstuk met de planbeschrijving. De ‘milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma’ komen aan bod bij de beschrijving van de referentiesituatie. De ‘kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed’ komen aan bod bij de effectbeschrijving en -beoordeling per discipline. De ‘grensoverschrijdende aard van de effecten’ komt aan bod in een aparte paragraaf in de plan-m.e.r.-screening.
- De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op:
- de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden, alsook wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;
- de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;
- de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;
- milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;
- de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).
- Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op:
- de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten;
- de cumulatieve aard van de effecten;
- de grensoverschrijdende aard van de effecten;
- de risico's voor de menselijke veiligheid of gezondheid of voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen);
- de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
- de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op:
- bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed;
- de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden;
- intensief grondgebruik;
- de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Europese Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.
Disciplines en effectgroepen
Volgens artikel 4.3.5 van het DABM moet er aan de criteria (uit bijlage I van het DABM) getoetst worden of het een voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben (zie hierboven). In de praktijk gebeurt deze beoordeling t.o.v. verschillende ‘milieudisciplines’, die afhankelijk van de kenmerken van plan en omgeving nog verder opgedeeld worden in ‘effectgroepen’ of ‘deeldisciplines’.
Het volgende deel van deze gids is dan ook gestructureerd volgens de disciplines zoals die het meest gebruikt worden in plan-m.e.r.-screenings. Varianten hierop zijn echter mogelijk, net als het combineren van disciplines in één hoofdstuk, bv. een gezamenlijk hoofdstuk voor bodem en water, of een gezamenlijk hoofdstuk voor lucht/geluid/andere hinderaspecten/gezondheid.
(Geen) milderende maatregelen en aanbevelingen
Bij plan-MER’s hoort het werken met ‘milderende maatregelen en aanbevelingen’ tot de standaard-methodologie. Het doel is dan immers om de effecten van een plan en de redelijke alternatieven ervoor te onderzoeken en aan te geven hoe (aanzienlijk) negatieve effecten vermeden of gemilderd kunnen worden. Het doel van een plan-m.e.r.-screening daarentegen is om aan te tonen dat het plan geen aanzienlijke effecten kan hebben. Daarom kan er geen sprake zijn van milderende maatregelen om aanzienlijke effecten te milderen, compenseren of vermijden.
Het is natuurlijk mogelijk dat men bij de planvorming reeds wist dat een bepaalde ‘maatregel’ nodig zou zijn om aanzienlijke effecten te vermijden en die ‘maatregel’ reeds voorzien heeft in het plan (bv. het compenseren van een inname van overstromingsgevoelig gebied, gebouwen inplanten op ruime afstand van een gewestweg, …). Ook dan worden deze aspecten beter niet beschreven als een ‘milderende maatregel’ of een ‘plangeïntegreerde maatregel’, maar wordt dit best gewoon mee beschreven in de planbeschrijving. Hoogstens kunnen ze benoemd worden als een ‘plangeïntegreerde maatregel’ (zorg er voor dat dit duidelijk blijkt uit het grafisch plan of de voorschriften’).
Vermijd dus formuleringen als ‘rekening houdend met de milderende maatregelen kan worden geconcludeerd dat het RUP geen aanzienlijke effecten genereert’ of ‘er zijn geen aanzienlijke effecten op voorwaarde dat …’, maar eindig de effectbespreking voor elke discipline met een duidelijke, onvoorwaardelijke conclusie dat er gaan aanzienlijke effecten zijn.
Het is eveneens mogelijk dat men tijdens het uitwerken van de plan-m.e.r.-screening nog aan mogelijke verbeterpunten / optimalisaties / aanbevelingen denkt. Het wordt sterk aangeraden om deze dan alsnog gewoon op te nemen in het plan zelf (vooraleer de plan-m.e.r.-screening te finaliseren). Dit geldt zowel voor de geïntegreerde procedures (zoals de RUP-procedure, waarbij de screening deel uitmaakt van de startnota en de scopingnota) als voor generieke plan-m.e.r.-screeningsprocedures, waarbij de screening weliswaar een apart document is waarvoor apart adviezen gevraagd worden, maar waarbij de screening toch ook opgemaakt wordt in opdracht van de initiatiefnemers van het plan. Op die manier kunnen de aanbevelingen niet verkeerd begrepen worden als een noodzakelijk element om aanzienlijke effecten te vermijden dat niet verankerd is in het plan, of als een nood aan verder onderzoek.
Als er toch aanbevelingen vermeld worden, schrijf er dan zeker bij dat het gaat om mogelijke optimalisaties die niet noodzakelijk zijn om aanzienlijke effecten te vermijden maar suggesties om het plan bv. meer milieuvriendelijk te maken of om de effecten nog verder te beperken. Dat geldt des te meer voor aanbevelingen die niet door te vertalen zijn in het plan zelf (bv. een aanbeveling in een RUP die in feite gericht is op een vergunningsaanvraag die voort kan vloeien uit het RUP).
Verwijzingen naar geldende regelgeving
Er kan verwezen worden naar regelgeving bij de motivatie dat het plan geen aanzienlijke effecten heeft (bv. de hemelwaterverordening, regelgeving i.v.m. bodemsanering, …). Dit is dan eerder informatief, want het spreekt voor zich dat aan alle geldende regelgeving voldaan moet worden. Vermijd zeker om dit als voorwaarde of milderende maatregel te benoemen. Benoemen als bv. ‘wettelijke randvoorwaarden die de effecten beperken’ kan wel.
Positieve planeffecten mogen ook beschreven worden
Het doel van een plan-m.e.r.-screening is aantonen dat het plan geen aanzienlijke effecten kan hebben en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. De klemtoon ligt daarbij uiteraard op het aantonen dat er geen aanzienlijk negatieve effecten zijn. Positieve effecten van een plan op bepaalde disciplines mogen echter ook beschreven worden.
Maatwerk blijft nodig
In deze gids hebben we tips opgenomen voor de meest voorkomende situaties. Dat zijn doorgaans plannen die een bestemmingswijziging inhouden voor ‘stadsontwikkeling en infrastructuur’ (ruim geïnterpreteerd). Door de grote diversiteit aan plannen en programma’s en van de leefomgeving waarin ze gerealiseerd zullen worden, blijft maatwerk echter nodig. Zo bevat deze gids geen voorbeeldformuleringen voor ingrepen in verzilt gebied, in natuurgebied, … Ook voor eerder ‘visiegedreven plannen’, zoals RUP’s i.v.m. kernversterking of meergezinswoningen voor vrij grote plangebieden (zie Algemene aandachtspunten - Detailleringsgraad), zijn de voorbeelden minder geschikt. Dat betekent niet dat voor zo’n gevallen steeds een plan-MER nodig is, maar dat er een effectbeschrijving op maat nodig is.
Het omgekeerde geldt echter ook: niet voor elk plan dat screeningsgerechtigd is, zal via een effectbeoordeling ‘op maat’, al dan niet via de werkwijze uit deze gids, aangetoond kunnen worden dat er geen aanzienlijke effecten kunnen zijn. Voor sommige plannen die screeningsgerechtigd zijn, zal dus de opmaak van een plan-MER nodig zijn.
Neem een paragraaf op over grensoverschrijdende effecten
Omdat in een screening gemotiveerd wordt dat er geen aanzienlijke effecten kunnen zijn, zal er ook geen sprake zijn van grensoverschrijdende aanzienlijke effecten. Motiveer dit kort, zie deel 6.13 Grensoverschrijdende effecten.