Het onderzoek naar de aanzienlijkheid van milieueffecten gebeurt als volgt:
- Vanuit de kennis van het planvoornemen, moet nagedacht worden over de ingrepen die mogelijk worden (of blijven) door het plan. Het zijn deze ingrepen die, als er op projectniveau uitvoering gegeven wordt aan het plan, tot milieueffecten zullen leiden.
- In de JA/NEE-vragen uit het vervolg van deze gids wordt gevraagd naar potentiële ingrepen die wel of niet voorzien zijn in het plan in kwestie, of mogelijk worden door het plan in kwestie. Deze vragen zijn opgemaakt voor elke disciplines, indien nodig verder ingedeeld per deeldiscipline of effectgroep.
- Op die manier wordt afgetoetst welke (deel)disciplines relevant zijn voor verdere bespreking. Daarbij zijn er de volgende mogelijkheden:
- Er zijn vanuit het planvoornemen geen potentiële ingrepen (zoals bv. bodemverstoring, verkeersgeneratie, …) met mogelijk effect op een (deel)discipline. Verder onderzoek is niet nodig omdat er geen effecten zijn. .
- Er zijn vanuit het planvoornemen potentiële ingrepen met mogelijk effect op een (deel)discipline. Afhankelijk van de aard en schaal van de mogelijke ingrepen in combinatie met de kwetsbaarheid van het plangebied en de omgeving is er een beknopte tot meer uitgebreide motivatie nodig dat de effecten niet aanzienlijk zijn. De gids biedt vervolgens handvaten of inspiratie voor de onderbouwing dat er geen aanzienlijke effecten kunnen zijn. Afhankelijk van de situatie kan de motivatie of het onderzoek per discipline dus variëren van zeer beknopt tot meer uitgebreid.