Voor de praktische aanpak van de verwerking van adviezen en inspraak en van de motivatie door de bevoegde overheid, zie Handleiding generieke plan-m.e.r.-screeningsprocedure, meer specifiek Deel 4 . Dezelfde aanpak kan ook gevolgd worden voor RUP’s. Hier geven we nog inhoudelijke tips. 

 

(Niet verwijzen naar) verder onderzoek

In een screening moet op basis van de beschikbare info aangetoond worden dat er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. In adviezen over de screening, of in inspraak als er participatie gehouden wordt (zoals bij RUP’s), wordt soms naar meer informatie of bijkomend onderzoek gevraagd. Hoewel een aantal zaken inderdaad pas in een latere fase (bv. op projectniveau, bij de vergunningsaanvraag) gekend en dus onderzocht kunnen worden, moet er toch op planniveau aangetoond worden dat het RUP niet tot aanzienlijke effecten kan leiden.

Soms is het mogelijk om de verdere info al op te nemen in de screening, of om al een verder onderzoek te voeren. De screening kan dan aangevuld worden.

Maar niet alle projectmatige info is al gekend in de planfase. Verwijs in dat geval bij de verwerking van de adviezen en inspraakreacties niet zomaar naar ‘verder onderzoek dat zal gebeuren’ maar onderbouw de conclusie dat er geen aanzienlijke effecten zijn op basis van de beschikbare informatie. Zie ook Algemene aandachtspunten - Detailleringsgraad over de afstemming tussen het detailniveau van het plan en van de effectbeschrijving.  

Specifiek voor RUP’s: na de adviesronde en participatie over de startnota kan blijken dat er toch een verdere uitwerking van het voorontwerp (grafisch plan en stedenbouwkundige voorschriften) nodig is om te kunnen motiveren dat er geen aanzienlijke effecten kunnen optreden. Werk dan eerst het voorontwerp verder uit en motiveer dan dat er geen aanzienlijke effecten zijn. 

De motivatie door de bevoegde overheid

In de Handleiding over de generieke plan-m.e.r.-screeningsprocedure is het volgende opgenomen over de motivatie door de bevoegde overheid: "De bevoegde overheid motiveert aan de hand van de criteria, vermeld in bijlage I, die bij het decreet is gevoegd, waarom het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De bevoegde overheid houdt daarbij rekening met de screening en de verleende adviezen."

Er is niet vastgelegd welke vorm deze motivatie moet hebben.

Voor alle soorten plannen, uitgezonderd de aanvragen tot planologisch attest, is de bevoegde overheid ook de initiatiefnemer en dus ook de instantie die de screening opstelt of laat opstellen. De motivatie “waarom het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, aan de hand van de criteria vermeld in bijlage I bij het decreet” overlapt dus met de inhoud van de screening.  

Voor screenings horende bij een aanvraag tot planologisch attest verwerkt de initiatiefnemer de adviezen en bezorgt deze de screening aan de bevoegde overheid. De motivering van de bevoegde overheid kan bv. bestaan uit een document waarin zij zich akkoord verklaart met de motivatie van de initiatiefnemer zoals die opgenomen is in de screening, maar kan ook een eigen motivatie inhouden. Zij kan ook vragen om de screening nog aan te passen, vooraleer een motivatie op te maken.

Voor screenings bij vrijgavebesluiten voor woonreservegebieden is de bevoegde overheid formeel ook de initiatiefnemer, maar kan de screening (deels) opgemaakt worden door de eigenaar of ontwikkelaar van de gronden in kwestie. Ook dan kan de overheid vragen om de screening nog aan te passen, vooraleer een motivatie op te maken. 

Voor RUP's met een plan-m.e.r.-screening bevat de pagina over de wijzigingen aan de RUP-procedure vanaf 1 december 2025 ook een deel met tips en voorbeelden voor de motivatie door het planteam.

In  het deel Algemene aandachtspunten - Toetsen aan de criteria uit bijlage I van het DABM wordt verduidelijkt dat de termen uit bijlage I zelden letterlijk overgenomen worden, maar dat alle elementen die vermeld worden wel terug te vinden zijn in screenings.

  • No labels