- Aangemaakt door Inge De Cat, laatst bijgewerkt: dec. 04, 2025 10 minuten leestijd
Rubrieken
Bijlage 1 rubriek 9
Aanleg van autosnelwegen en autowegen, met inbegrip van de hoofdwegen
Bijlage 1 rubriek 10
Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10km of meer heeft
Bijlage 2 rubriek 10f
Aanleg van wegen
Definities en begrippen
Weg
In het kader van de project-m.e.r.-screening definiëren we weg als openbare weg bestemd voor fietsverkeer of gemotoriseerd verkeerd.
Volgens de rechtsleer1 wordt een onderscheid gemaakt tussen openbare en private wegen:
- Private wegen zijn eigendom van een particulier en uitsluitend bestemd voor privégebruik.
- Openbare wegen zijn alle wegen die toegankelijk zijn voor het openbaar verkeer, ook als de bedding ervan een private eigendom is.
Enkel openbare wegen vallen onder de wegenrubrieken van bijlage 1 en 2. Particuliere/private wegen vallen niet onder de m.e.r.-plicht.
Bovenstaande rechtsleer introduceert het onderscheid tussen:
- trage wegen: voor niet-gemotoriseerd verkeer, zoals wandelaars, fietsers, ruiters
- snelle wegen: voor gemotoriseerd verkeer
Wegen voor gemotoriseerd verkeer vallen sowieso onder de wegenrubrieken van bijlagen 1 en 2.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat de aanleg van een fietssnelweg, ondanks het feit dat het om infrastructuur voor niet-gemotoriseerd verkeer gaat, toch onder de m.e.r.-plicht valt (RvVB-A-2526-0095). Dit oordeel is gebaseerd op:
- de ruime interpretatie van het begrip 'aanleg van wegen'.
- Europese rechtspraak die stelt dat ook infrastructuur met een duidelijke impact op de omgeving onder de m.e.r.-plicht kan vallen, ongeacht het type verkeer.
- De functionele en ruimtelijke impact van fietssnelwegen, die vergelijkbaar kan zijn met die van gemotoriseerde wegen.
Ook trage wegen, zoals fietspaden, vallen onder bepaalde omstandigheden dus ook onder de m.e.r.-plicht.
Aanleg van wegen
In het kader van de project-m.e.r.-screening wordt onder 'aanleg van wegen' het volgende verstaan:
- de aanleg van een volledig nieuwe weg
- de verbreding, verlegging of verlenging van een bestaande weg.
Hoewel 'aanleg' in eerste instantie wijst op het creëren van iets nieuws, wordt dit begrip ruimer geïnterpreteerd. Volgens de Europese interpretatiegids en uitspraken van het Hof van Justitie2 moet de term 'aanleg van wegen' ruimer geïnterpreteerd worden. Bepaalde projecten die geen nieuwe op zich staande constructie vormen, maar toegevoegd zijn bij een reeds bestaande infrastructuur en/of die een nauwe functionele band hebben met een reeds bestaande constructie (zoals bvb. een extra rijstrook), mogen niet zomaar beschouwd mogen worden als zijnde een wijziging van een reeds bestaand project, maar moeten eerder beschouwd moeten worden als vallende onder de projectcategorie zelf. Dat betekent dus dat de aanleg van bijvoorbeeld een extra rijstrook wel degelijk onder de term 'aanleg van wegen' valt. Niet enkel een verbreding van een weg valt onder de rubrieken m.b.t. "Aanleg van wegen", maar tevens de verlegging en verlenging van een bestaande weg.
Voorbeelden:
- De aanleg van een extra rijstrook zoals bijvoorbeeld omvormen van de pechstrook tot spitsstrook.
- De verlegging van een bestaande 2x2 weg (4 rijstroken).
- Het afbreken van een brug en een nieuwe brug iets verderop bouwen waarop de wegenis van de oude brug wordt aangesloten, is een 'verlegging' van een weg.
- Een stuk weg bijleggen aansluitend op een reeds bestaande weg, is een 'verlenging' van een weg.
Wijzigings- en uitbreidingsrubrieken
Rubriek 29 van bijlage 1
Rubriek 29 van bijlage 1 is uitsluitend van toepassing op rubrieken van bijlage 1 die een drempelwaarde hebben.
- Rubriek 9 heeft geen drempelwaarde, waardoor rubriek 29 hier niet van toepassing is. Wijzigingen of uitbreidingen van autosnelwegen vallen ofwel rechtstreeks onder de wegenrubrieken of vallen onder rubriek 13 van bijlage 2.
- Rubriek 10 bevat wel een drempelwaarde. Rubriek 29 is dus mogelijk van toepassing op projecten vallende onder rubriek 10.
Voorbeelden:
- de verbreding van een autosnelweg met een extra rijstrook → valt onder rubriek 9 van bijlage 1
- de aanleg van een nieuw op- en afrittencomplex op een bestaande autosnelweg → valt onder rubriek 10f van bijlage 2
- een wijziging aan een bestaand op- en afrittencomplex op een bestaande autosnelweg → valt afhankelijk van het project onder rubriek 10f of 13 van bijlage 2
Rubriek 13 van bijlage 2
De verlenging, verbreding en verlegging van een bestaande weg valt rechtstreeks onder 'aanleg van wegen' en dus niet onder de wijzigingsrubrieken. Andere wijzigingen/uitbreidingen van een bestaande openbare weg kunnen wel onder rubriek 13 van bijlage 2 vallen. Deze ingrepen kunnen immers een impact hebben op de mobiliteit, zoals een toename van verkeersintensiteit of een verschuiving van verkeersstromen.
Voorbeelden:
- omvormen van een kruispunt tot een rotonde → valt onder rubriek 13 van bijlage 2
- aanpassen (zonder veel bijkomend ruimtebeslag) van een bestaand op -en afrittencomplex → valt onder rubriek 13 van bijlage 2
- heraanleg en herprofilering van een weg die door een dorpskern loopt → valt onder rubriek 13 van bijlage 2
- verharden van een bestaande openbare weg (intensiever gebruik) → valt onder rubriek 13 van bijlage 2
- aanleg van riolering of langsgrachten; dempen van langsgrachten → valt niet onder de wegenrubrieken of de W/U-rubrieken
- plaatsen van verlichtingspalen of verkeersborden → valt niet onder de wegenrubrieken of de W/U-rubrieken
- kappen van bomen langs de weg → valt niet onder de wegenrubrieken of de W/U-rubrieken
Aandachtspunten project-m.e.r.-screening
Indien een wegenproject onder bijlage 2 valt, moet een project-m.e.r.-screening opgemaakt worden. Voor de opmaak van de project-m.e.r.-screening kan je gebruik maken van de project-m.e.r.-screeningstool (zie handleiding). In de project-m.e.r.-screening kan verwezen worden naar informatie die in andere documenten van het vergunningsaanvraagdossier is opgenomen. Het is niet nodig om de informatie dubbel ter beschikking te stellen. Meer informatie over de project-m.e.r.-screeningsprocedure vind je in de algemene handleiding project-m.e.r.-screening.
Algemeen
Niet enkel de effecten van de aanleg van de rijbaan moeten bekeken worden, maar ook de effecten van de relevante randinfrastructuur (o.a. langsgrachten, bijkomende verhardingen). Zowel de effecten tijdens de aanleg- als de exploitatiefase moeten besproken worden.
Volgende effecten kunnen relevant zijn:
- direct ruimtebeslag3
- verstoring4:
- geluidsverstoring
- trillingshinder
- luchtverontreiniging
- visuele verstoring
- verstoring van hydrologisch en hydraulisch systeem
- netwerkeffecten5:
- wijziging van verbindingen
- slachtoffers door ongevallen
Mobiliteit
- De mobiliteitseffecten moeten ingeschat worden.
- Kijk onder andere naar de te verwachten verkeersintensiteit op de weg, de aard van de verkeersregeling bij dwarsingen, de toegelaten snelheid, de te verwachten verdeling tussen personen- en vrachtverkeer, de te verwachten spreiding in de tijd van het verkeer (vb. vooral spitsverkeer), de wegbedekking, de veiligheid en leesbaarheid.
Biodiversiteit
- Door direct ruimtebeslag moet de hoeveelheid en de kwaliteit van waardevolle ecotoop of habitat dat verloren gaat, onderzocht worden. Er kan ook nagegaan worden of er leefgebied van een individuele soort verloren gaat.
- Onderzoek nodig naar de impact van geluidsverstoring op broedvogels en andere gevoelige soorten.
Lichthinder kan relevant zijn in gebieden die aanzien worden als risicovolle locaties voor dieren, aanwezig zijn in het studiegebied, i.e. gebieden met een hoge beschermingsstatus en/of met een hoge gekende waarde voor zeldzame soorten, gebieden waar verstoring door verlichting meer waarschijnlijk zijn (open gebieden, kleinschalige landschappen, …), gebieden met risico's voor ontregeling van de oriëntatie zoals migratiebanen (vogels) en pendelgebieden tussen voortplantingsplaatsen en foerageergebieden (vogels, amfibieën, vleermuizen).
- Vermestende en verzurende depositie is mogelijk. Bij de beoordeling van effecten dient vooral gekeken te worden of er op dit vlak kwetsbare gebieden (en soorten) aanwezig zijn in de omgeving.
- Verdroging en vernatting is mogelijk door de extra verharding. Vooral het effect van verdroging is relevant en kunnen een impact hebben op de vegetaties van natte en vochtige standplaatsen en kwelgebonden vegetaties. Ook de soorten gebonden aan deze vegetaties zijn relevant. De beoordeling kan gebeuren via een kwetsbaarheidsbenadering zodat de meest vocht- en/of kwelafhankelijke vegetaties gelokaliseerd kunnen worden.
- Lijninfrastructuren versnijden de open ruimte. Grotere gehelen kunnen versnipperd geraken en bestaande relaties kunnen doorbroken worden. Door versnippering kunnen één of meerdere van de deelgebieden te klein worden om zijn eigenschappen te behouden. Dit kan er zelfs toe leiden dat het geheel van deelgebieden zijn functie verliest. Ontsnipperende maatregelen kunnen voorgesteld worden (vb. ecotunnel, landbouwbereikbaarheid, langzaam verkeer…) alsook een concrete uitwerking voor de dwarsende relaties (vb. tunnel, brug, omlegging, corridor…).
Landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie
- Door direct ruimtebeslag moet het verlies van waardevolle landschappen, bouwkundig erfgoed en archeologisch erfgoed, onderzocht worden. De toetsing aan het bestaande kaartmateriaal kan geraadpleegd worden www.geopunt.be.
- Wat betreft geluidsverstoring, vraagt de aanwezigheid van een stiltegebied in de omgeving of een ander stiltebehoevend element (vb. oorlogserfgoed) extra aandacht.
- Mogelijke trillingshinder zowel tijdens de aanlegfase als de exploitatiefase kan onderzocht worden. De gebouwen die mogelijk schade door trillingen kunnen ondervinden dienen opgelijst te worden.
Er moet onderzocht worden of de eigenheid of de gaafheid van het (nachtelijke) landschap impact ondervindt. Hierbij is het landschapskenmerk "duisternis" van belang. Ook de verminderde opvallendheid van de accentuering van bouwkundig erfgoed en andere beelddragers is een mogelijk effect.
De aanleg van een nieuwe weg gaat steeds gepaard met het verdwijnen en creëren van beeldelementen (zie ook "direct ruimtebeslag") met een wijziging van het landschapsbeeld en de visuele omgevingskenmerken als gevolg. De visuele verstoring uit zich door aanwezigheid van de infrastructuur zelf, het verdwijnen van visuele barrières (vb. bos) bij de aanleg van de infrastructuur,... .De hoogte van een weg kan de waarneembaarheid en daarmee ook de herkenbaarheid van de visueel- ruimtelijke kenmerken van het landschap aantasten. Informatie die onder andere in de screening aangegeven kan worden is de inplanting van opgaande randvoorzieningen (verlichting, beplanting, servicevoorzieningen, bebouwing,…), de eventuele locaties voor de permanente opslag van grond(overschotten). Een inventaris van de landschapselementen zou opgesteld moeten worden en wijzigingen in de zichtbaarheid van die landschapselementen moeten beschreven worden. Ook de zichtbaarheid van de infrastructuur vanuit de omgeving moet beschreven worden.
- Er kan gekeken worden of binnen de invloedszone voor grondwaterstandswijziging erfgoedwaarden (archeologische waarde, bouwkundig erfgoed) voorkomen.
- Lijninfrastructuren versnijden de open ruimte. Dit kan leiden tot het verdwijnen of wijzigen van landschappelijke relaties, zoals de structuur van het landschap en/of de historische samenhang van een landschap. Ook aan het verdwijnen van vergezichten kan gedacht worden.
Mens-ruimtelijke aspecten
- Het areaalverlies van de volgende functies moet onderzocht en beschreven worden: landbouwfunctie, woonfunctie, handel- en horecafunctie, industriële functie, recreatieve functie en ontginningsfunctie. Het areaalverlies kan hierbij zowel een direct verlies (bv. aantal hectaren) als een indirect verlies (bv. kwaliteitsafname) zijn. Er kan getoetst worden op basis van de bestaande informatie (kaartmateriaal, structuurplannen). Een terreinverkenning is in bepaalde gevallen wenselijk.
- De aanleg van weginfrastructuur kan de belevingswaarde wijzigen. De belevingswaarde kan hierbij ingedeeld worden volgens de verschillende gebruiksfuncties: woonfunctie, werkfunctie, recreatiefunctie.
- De aanleg van weginfrastructuur kan leiden tot het verdwijnen of wijzigen van menselijk-functionele relaties door bijvoorbeeld het moeten omrijden of omleggingen.
Geluid en trillingen
Het geluidsverstorend effect van een nieuwe weg of de verandering van een bestaande weg kan ingrijpend zijn. Een kwalitatieve beoordeling kan gegeven worden van de ingeschatte toename aan verkeersgeluid tussen de bestaande situatie en de geplande situatie. Idealiter zouden volgende projectgegevens voorhanden moeten zijn om die beoordeling te kunnen doen: verwachte verkeersintensiteit, snelheid, verdeling personenverkeer/vrachtverkeer, spreiding in de tijd en wegbedekking. Er dient afgetoetst te worden of er kwetsbare gebieden (vb. woongebied) aanwezig zijn in het studiegebied.
- Wegverkeer kan een belangrijke bron van trillingen zijn in een woonomgeving. Het zijn vooral vrachtwagens met zware lasten die op een oneffen wegdek rijden die belangrijke trillingen veroorzaken. Door de inwerking van trillingen kan bovendien de stabiliteit van bouwwerken aangetast worden. Wanneer het gaat om de aanleg van een nieuwe weg, dan zullen er in de meeste gevallen geen oneffenheden op de nieuwe weg voorkomen zodat er ook nagenoeg geen trillingen afkomstig van het verkeer verwacht worden. Aanzienlijke milieueffecten onder de vorm van trillingen kan voorkomen indien er veel vrachtwagen- of busverkeer verwacht wordt, de afstand van de woningen tot de weg klein is, oneffenheden aan de rijweg voorkomen,...
Volgende gegevens zijn in de project-m.e.r.-screenig vereist om een kwalitatieve beoordeling van de trillingshinder te kunnen doen: verwachte verkeersintensiteit van zware voertuigen, maximale snelheid, spreiding in de tijd, type wegdek, dwars- en lengteprofiel van het tracé, aanwezigheid van eventuele wegonderbrekingen, plaatselijk reliëf en type woningen.
Mens-gezondheid
- Vooral in gebieden met een woonfunctie, zachte recreatie,… kan geluidshinder ervaren worden. Hierbij is het beschrijven van het aantal gehinderden een mogelijkheid.
- Mogelijke trillingshinder zowel tijdens de aanlegfase als de exploitatiefase kan onderzocht worden. Het aantal gehinderde personen kan geïdentificeerd worden en een kwalitatieve beoordeling kan gegeven worden.
- De gezondheidsimpact van de luchtemissies moet beoordeeld worden.
Een (slechte) nachtverlichting kan hinder voor de mens veroorzaken. De principes van een goede nachtelijke verlichting moeten daarom steeds toegepast worden (eventueel als milderende maatregel). Ook koplampen van aanrijdend verkeer kunnen voor hinder zorgen in woonzones.
Lucht
De uitlaatgassen van auto's, vrachtwagens en bussen veroorzaken een impact op ons leefmilieu, door de uitstoot van onder meer CO2, stikstofoxiden (NOx), SO2 en vluchtige organische stoffen (VOS) waaronder benzeen. Dieselmotoren stoten eveneens fijne stofdeeltjes (PM10). Deze emissies kunnen gezondheidsproblemen bij de mens veroorzaken en bijdragen tot de verzuring van ecotopen.
Water
- Deze effectgroep omvat alleszins de verstoring van het watersysteem (oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers).
- De aanleg van een weg gaat steeds gepaard met een zekere ruimte-inname en binnen die ruimte wordt een groot deel van de oppervlakte verhard. Het afstromend water wordt normaal gezien geïnfiltreerd in langsgrachten. Maar mogelijk is er een toename van de totale hoeveelheid water die afgevoerd dient te worden waardoor enerzijds een algemene verdroging kan optreden en anderzijds frequentere en grotere overstromingen kunnen voorkomen door de toegenomen piekafvoeren. Dit zal waarschijnlijk slechts in een beperkt aantal gevallen tot aanzienlijke milieueffecten leiden. Die ruimte-inname kan ook de inname van overstromingsruimte impliceren. Indien tunnels nodig zouden zijn, een gedeeltelijke ingraving van het traject of een bemaling, dan kan de grondwaterstand mogelijk wijzigen.
- Waterverontreiniging ten gevolge van weginfrastructuur kan het gevolg zijn van een uiteenlopend scala aan stoffen (o.a. metalen, olie, herbiciden). De afstroming van vervuild hemelwater naar grachten en de infiltratie of afvoer ervan kan verontreiniging van grond- en oppervlaktewater veroorzaken. Dat is vooral relevant indien er grondwaterbeschermingsgebieden of gebieden kwetsbaar voor waterverontreiniging doorkruist worden.
Veiligheid
In het wegverkeer vallen er jaarlijks heel wat menselijke en dierlijke slachtoffers (fauna). De focus in de project-m.e.r.-screening kan liggen op het nemen van milderende maatregelen om het aantal verkeersslachtoffers te beperken/voorkomen. Het beschrijven van de toegelaten snelheid, het wegprofiel en de kruisingen zijn relevant in dit verband.
1. J. DE STAERCKE, Wegenrecht, Administratieve Rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 2007.
2. o.a. C-227/01 (Commissie v. Spanje) en C-431/92 (Commissie v. Duitsland)
3. Ruimte-inname wordt door de aanleg van de infrastructuur veroorzaakt en is dus beperkt tot de perimeter van het project en de werf.
4.. Verstoring is het effect dat veroorzaakt wordt tijdens de exploitatie van de weg door een emissie die resulteert vanuit het project, zoals geluidshinder, luchtvervuiling of verkeershinder.
5.. Dit zijn de effecten die ontstaan doordat de weg een barrière opwerpt.
![]()
- Geen labels