- Aangemaakt door Inge De Cat, laatst bijgewerkt: dec. 08, 2025 5 minuten leestijd
Rubrieken
Bijlage 2 rubriek 3i
Installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken).
Toepassingsgebied
Windturbines worden ingedeeld op basis van hun ashoogte en vermogen:
- kleine windturbines: windturbines met een ashoogte kleiner of gelijk aan 15 meter en voor zover het gaat om inrichtingen die niet zijn vermeld in rubriek 20.1.6 van de indelingslijst bij VLAREM;
- middelgrote windturbines: windturbines met een ashoogte van meer dan 15 meter of windturbines die zijn vermeld in rubriek 20.1.6 van de indelingslijst bij VLAREM, en de overige inrichtingen die zijn vermeld in rubriek 20.1.6 van de indelingslijst bij VLAREM (met uitzondering van de installaties met een elektrisch vermogen per windturbine van meer dan 1.500 kW);
- grootschalige windturbines: installaties met een elektrisch vermogen per windturbine van meer dan 1.500 kW.
Windturbines zijn volgens bijlage I van VLAREM II als volgt ingedeeld:
- 300 kW tot en met 500 kW: klasse 3 (meldingsplichtig);
- meer dan 500 kW tot en met 1.500 kW: klasse 2 (vergunningsplichtig);
- meer dan 1.500 kW, alsook installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie voorzover de activiteit betrekking heeft op 20 windturbines of meer, of 4 windturbines of meer die een aanzienlijke invloed hebben op een bijzonder beschermd gebied: klasse 1 (vergunningsplichtig).
Milieueffectrapportage is enkel zinvol voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Om die reden vallen enkel ingedeelde vergunningsplichtige windturbineprojecten onder het toepassingsgebied van milieueffectrapportage.
![]()
Definitie windturbinepark
In rubriek 3i verwijst naar 'windturbineparken'. Deze rubriek is een letterlijke vertaling van de rubriek uit Annex II van de project-m.e.r.-richtlijn. Rekening houdend met de bedoeling van de richtlijn, moet naast het aantal windturbines in de betreffende vergunningsaanvraag (en de eventueel daaraan te koppelen vergunningsaanvragen) ook rekening gehouden worden met eventueel vergunde/bestaande windturbines in de nabijheid van de aanvraag.
Om 'nabijheid van de aanvraag' af te bakenen zijn objectieve en duidelijke criteria nodig, bij voorkeur criteria die rekening houden met verschillende types windturbines (hoogte, bronvermogen en rotordiameter). Als objectieve criteria wordt rekening gehouden met de gemodelleerde contouren voor verwachte slagschaduw en geluid. Indien een individuele vergunde windturbine op basis van de contouren interfereert met het project, behoort deze windturbine tot eenzelfde windturbinepark.
- Geluid: Voor het huidige project wordt de 39 dB(A)-contour bepaald, wat de strengst mogelijke richtwaarde is. Om mogelijke interferentie voor geluid te toetsen, wordt elke individuele vergunde windturbine waarvan de 29 dB(A)-contour raakt aan de 39 dB(A)-contour van het project mee in rekening gebracht. Een geluidsbron die resulteert in een specifiek geluid dat 10 dB(A) lager is dan het oorspronkelijke (of te toetsen) geluidsniveau heeft namelijk geen relevante bijdrage aan het oorspronkelijke (of te toetsen) geluidsniveau.
- Slagschaduw: Voor het huidige project wordt de 4 uur-contour van verwachte slagschaduw bepaald. VLAREM legt namelijk op dat de slagschaduwnormen gelden voor alle slagschaduwgevoelige objecten gelegen binnen de 4-uur contour verwachte slagschaduw. Om mogelijke interferentie voor slagschaduw te toetsen, wordt elke individuele vergunde windturbine mee in rekening genomen waarvan de contour van 0 uur verwachte slagschaduw raakt aan de contour van 4u verwachte slagschaduw voor het project.
Voor de individuele, vergunde windturbines wordt een strenger criterium gehanteerd, zodat ook eventuele cumulatie van individuele windturbines in rekening wordt gebracht.
Het principe wordt ook beschreven in onderstaande tabel en illustratie.
| Aspect | Contour project | Contour individuele vergunde windturbine omgeving |
| Geluid | 39 dB(A) | 29 dB(A) |
| Verwachte slagschaduw | 4 uur | 0 uur |
Illustratie principe ter bepaling van het aantal windturbines voor toetsing van m.e.r.-plicht
In bovenstaande illustratie kruisen de zwarte en groene 29 dB(A) contouren de blauwe 39 dB(A) contour van het voorgenomen project. Deze windturbines maken deel uit van het windturbinepark. De rode 29 dB(A) contour kruist de blauwe 39 dB(A) contour van het voorgenomen project niet en is met andere woorden de dichtste niet-relevante windturbine voor het voorgenomen project. Het windturbinepark bestaat dus uit 7 windturbines die relevant zijn i.k.v. de effectbeschrijving en m.e.r.-toetsing.
Voor een voorgenomen project kan a.d.h.v. de individuele contour van de dichtste niet-relevante windturbine objectief aangetoond worden dat deze en verderaf gelegen windturbines geen onderdeel vormen van hetzelfde 'windturbinepark' zoals beoogd onder toepassing van de Europese MER-richtlijn.
Een windturbine die relevant is voor geluid of slagschaduw maakt deel uit van het windturbinepark. Alle windturbines van het windturbinepark worden meegenomen in de effectbeschrijving en ‑beoordeling. De gezamenlijke contouren van alle relevante windturbines voor zowel slagschaduw als geluid samen gemodelleerd. Dit geeft een cumulatieve contour voor geluid en één voor slagschaduw. Hierbij wordt abstractie gemaakt van het feit of de vergunde/aangevraagde windturbines door verschillende exploitanten worden aangevraagd/uitgebaat.
Voor het modelleren van de contouren moet uitgegaan worden van de aannames, vermeld in addendum R20.1.6 van bijlage 2 van het omgevingsvergunningsbesluit, zonder rekening te houden met reducties (bridage of stilstand).
Als het project uit één solitaire windturbine bestaat die niet in de nabijheid ligt van een andere vergunde/bestaande windturbine(s), dan valt het project niet onder het toepassingsgebied van milieueffectrapportage, aangezien er meerdere windturbines nodig zijn om van een 'windturbinepark' te kunnen spreken. Hiervoor is dus geen enkele vorm van milieueffectrapportage nodig.
Wijzigings- en uitbreidingsrubriek
Door de ruime interpretatie van rubriek 3i van bijlage 2, kan rubriek 13 van bijlage 2 voor windturbineprojecten niet meer nuttig worden toegepast. Wanneer windturbines worden opgericht in de nabijheid van bestaande windturbines is er sprake van een wijziging of uitbreiding. Hierboven werd echter al uiteengezet dat om te bepalen welke windturbines tot een windturbinepark behoren, overeenkomstig de rechtspraak rekening moet worden gehouden met turbines in de nabijheid. Hierdoor vallen aanvragen die in feite een uitbreiding zijn, ook onder rubriek 3i. Wanneer rubriek 3i van bijlage 2 van toepassing is, is een toetsing aan rubriek 13 van bijlage 2 overbodig; men valt dan immers al onder bijlage 2.
Wanneer bestaande windturbines worden vervangen door nieuwe windturbines (repowering), kan sprake zijn van een intensiteitsverhoging waardoor de W/U-rubriek van toepassing is. Zo’n wijziging valt onder bijlage 2 van het m.e.r.-besluit Er is dus minstens een project-m.e.r.-screening nodig.
Relatie milieueffectrapportage en lokalisatienota
Volgens Omzendbrief OMG/2025/1 - “Afwegingskader en randvoorwaarden voor de oprichting van windturbines” moet de locatiekeuze van windturbines op basis van de afwegingselementen uit de omzendbrief gemotiveerd en onderbouwd worden in een lokalisatienota die bij de advies- en vergunningsaanvraag moet gevoegd worden. In een lokalisatienota dienen, indien van toepassing, een aantal afwegingselementen besproken worden. Veel van deze elementen moeten ook in het kader van milieueffectrapportage besproken worden.
In het aanvraagformulier voor omgevingsvergunning zitten vragen omtrent de project-m.e.r.-screening vervat. Om te vermijden dat bepaalde info herhaald wordt in de vergunningsaanvraag, kan men voor het beantwoorden van bepaalde vragen in het kader van de project-m.e.r.-screening, verwijzen naar de lokalisatienota of naar andere info/bijlagen aan de aanvraag. Voor elk onderwerp uit de project-m.e.r.-screening moet expliciet aangegeven worden dat het milieueffect niet aanzienlijk is en tevens verduidelijkt worden waarom.
Indien een MER aan de vergunningsaanvraag wordt toegevoegd, kan er voor veel elementen in de lokalisatienota verwezen worden naar het MER. Beide documenten (lokalisatienota & MER) kunnen ook geïntegreerd worden tot één document, zolang dit maar voldoende geduid wordt.