- Aangemaakt door Inge De Cat, laatst bijgewerkt: dec. 04, 2025 12 minuten leestijd
Rubrieken
Bijlage 1 rubriek 1
Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van de bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 ton steenkool of bitumineuze schisten per dag.
Bijlage 1 rubriek 6
Geïntegreerde chemische installaties, dat wil zeggen installaties voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:
- organische basischemicaliën;
- anorganische basischemicaliën;
- fosfaat-, stikstof-of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);
- basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;
- farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé;
- explosieven.
Bijlage 1 rubriek 25
Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200.000 ton of meer.
Bijlage 2 rubriek 6a
Chemische installatie voor de behandeling van tussenproducten en vervaardigen van chemicaliën
Bijlage 2 rubriek 6b
Chemische installatie voor industrie de productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden
Bijlage 2 rubriek 6c
Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten bij inrichtingen behorend tot de chemische industrie
Verwante regelgeving
Chemische installaties kunnen onder meerdere regelgevingen vallen, elk met een eigen focus en eigen criteria.
1. Richtlijn Industriële Emissies (IED)1
- Doelstelling: beheer van verontreiniging en duurzaam gebruik van natuurlijke grondstoffen in industriële installaties
- Toepassing: industriële installaties met significante emissies naar lucht, water of bodem.
- Projectclassificatie: gebaseerd op type activiteit en emissiepotentieel
- Drempelwaarden: technisch en kwantitatief bepaald (bv. productiecapaciteit, emissiegrenzen)
2. DABM veiligheidsrapportage (Seveso-richtlijn)
- Doelstelling: beheersing van risico's bij het gebruik van gevaarlijke afvalstoffen
- Toepassing: sites waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn boven bepaalde drempelwaarden
- Projectclassificatie: gebaseerd op aard en hoeveelheid gevaarlijke stoffen.
- Drempelwaarden: vastgelegd in Seveso III-richtlijn (bv. kg of ton per stofcategorie)
3. DABM milieueffectenrapportage (project-m.e.r.-richtlijn)
- Doelstelling: algemene milieubeoordeling van bedrijven, productieprocessen en installaties
- Toepassing: projecten met mogelijk aanzienlijke milieueffecten
- Projectclassificatie: sectorgebonden, met aandacht voor emissies, beheer van natuurlijke rijkdommen en potentiële effecten van calamiteiten
- Drempelwaarden: efhankelijk van rubriek en activiteit
Begrippen en definities
Om de precieze inhoud van de rubrieken van het m.e.r.-besluit af te baken, vormt de Europese handleiding2 een nuttig referentiepunt. Technische informatie kan je eerder terugvinden in de relevante BREFs (Reference Document on Best Available Techniques).
Geïntegreerde chemische installatie
Rubriek 6 van bijlage 1 is onderverdeeld in 6 subcategorieën, die deels overeenkomen met de classificaties uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies. Deze synergie laat toe om interpretaties uit de IED toe te passen binnen de m.e.r.-context.
Het m.e.r.-besluit spreekt in rubriek 6 van bijlage 1 over de combinatie van diverse voorwaarden opdat er sprake kan zijn van een geïntegreerde chemische installatie:
- verscheidene eenheden die naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn;
- fabricage op industriële schaal;
- door chemische omzetting;
- voor de fabricage van diverse basischemicaliën en aanverwante chemische basisproducten (zoals meststoffen en explosieven).
Een installatie valt onder chemisch geïntegreerde installatie als aan alle vier voorwaarden tegelijkertijd voldaan is. Ook uitbreidingen van bestaande installaties kunnen onder deze rubriek vallen, indien de uitbreiding op zich voldoet aan de vier criteria.
We lichten de 4 criteria nader toe in deze handleiding.
Functionele verbinding tussen eenheden
De basis voor integratie van een chemische installatie is de aanwezigheid van verschillende productie-eenheden en het bestaan van een 'verbondenheid' tussen deze verschillende delen van een chemisch bedrijf (of bedrijven).
Deze functionele verbinding komt tot uiting via het chemisch processchema ('process pathway') van een productieproces. Daaruit blijkt dan dat de verschillende eenheden van de installatie een gemeenschappelijk (eind)doel dienen door intermediaire of input materialen (precursoren, hulpstoffen) te produceren voor andere eenheden. De diverse elementen van het bedrijf zullen dus bijdragen tot het produceren van een bepaald product, waarbij het mogelijk is dat een deel van de intermediaire of inputmaterialen, geproduceerd in het bedrijf, ook verhandeld worden.
Infrastructuurlinks (zoals m.b.t. energieaspecten) kunnen eveneens aanwezig zijn, maar vormen op zich onvoldoende voorwaarde om te spreken van 'functioneel verbonden' eenheden.
Naast elkaar bestaan van verschillende eenheden
Het is geen noodzakelijk vereiste dat de eenheden fysiek aan elkaar grenzen. Je kan precursoren of tussenproducten elders op de site produceren en nadien overbrengen via pijpleiding, transportband of enige andere vorm van transfer naar een andere afwerkings- of bewerkingszone. Dergelijke duidelijk direct met elkaar geassocieerde activiteiten hebben bijgevolg een functionele verbinding met de andere activiteiten op de site. De term 'naast elkaar bestaan' moet je daarom ruim interpreteren als 'aanwezig op dezelfde site'.
Fabricage op industriële schaal
Rubriek 6 van bijlage 1 bevat geen drempels qua productiecapaciteit. In deze rubriek is wel sprake van het criterium 'fabricage op industriële schaal'. In de door de Europese Commissie ter beschikking gestelde Guidance wordt duidelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om hieraan een bepaalde drempelcapaciteit te verbinden.
Dergelijke chemische 'basisproducten' worden, om redenen van economische rentabiliteit, in de praktijk enkel geproduceerd (door opeenvolgende chemische omzetting) in installaties van een schaalgrootte die overeenstemt met de grotere productiecapaciteiten in de chemische sector. Door de expliciete focus op de 'basischemie' is het risico dat onder deze rubriek installaties vallen die lage tot zeer lage productiecapaciteiten hebben, in principe bijna onbestaand.
Chemische omzetting
Chemische omzettingsprocessen veronderstellen transformatie via chemische reacties tijdens het productieproces. Dit omvat ook biotechnologische of biologische processen, waarin meestal ook een chemische omzetting plaatsgrijpt (vb. fermentatie). Zuiver fysische processen (vb. roeren, menging, ontwatering, verdunning, destilleren, scheiden...) zijn hier echter niet onder vervat.
Basischemicaliën
De termen basischemicaliën (m.e.r.-besluit) en bulkchemicaliën (IED) verwijzen naar dezelfde groep chemicaliën. Door deze afstemming vallen bulkchemicaliën - die de industrie in zeer grote hoeveelheden (op industriële schaal) én geïntegreerd produceert - onder bijlage 1 van het m.e.r.-besluit.
Kenmerken van bulkchemicaliën volgens de BREF 'Large Volume Organic Chemical Industry':
- the products are rarely consumer products in their own right, but are basic chemicals that are used in large quantities as raw materials in the synthesis of other chemicals;
- production takes place in continuously operated plants;
- products are not produced in a range of formulations or compositions (grades);
- products have relatively low added value;
- the product specifications are defined to allow a wide range of applications (as compared, for example, with 'fine' chemicals).
Afgewerkte eindproducten beschouwen we niet als chemische stof, maar als een voorwerp.
- bv. de productie van autobanden: de productie vereist wel chemische omzetting, op basis van rubber en andere stoffen, maar levert geen 'chemicaliën' op als eindproduct
Mengsels van chemicaliën beschouwen we wel als basischemicaliën.
- bv. de productie van biodiesel levert een mengsel van esters op. Dit proces valt onder de term 'basischemicaliën', omdat we dit beschouwen als de productie van één (of meerdere) vorm(en) van esters.
Organische basischemicaliën
De richtlijn gebruikt de term organisch-chemische producten (bijlage I rubriek 4.1) en somt indicatief de volgende groepen op:
4.1. De fabricage van organisch-chemische producten, zoals
- eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische),
- zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxiden en epoxyharsen,
- zwavelhoudende koolwaterstoffen,
- stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten,
- fosforhoudende koolwaterstoffen,
- halogeenhoudende koolwaterstoffen,
- organometaalverbindingen,
- kunststofmaterialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels),
- synthetische rubber,
- kleurstoffen en pigmenten,
- tensioactieve stoffen en tensiden.
Deze opsomming is niet limitatief, maar indicatief en bestaat uit een aantal groepen:
a-g: bulkchemicaliën
- h-i: polymeren
- j-k: parachemie
De groep a-g wordt behandeld in de BREF 'Large Volume Organic Chemical Industry' (LVOC). Deze groep valt onder organische basischemicaliën, gedefinieerd als chemicaliën die geproduceerd worden in grote hoeveelheden (ook wel bulkchemicaliën genoemd). De polymeren (h-i) en parachemie (j-k) vallen niet onder de chemische basisproducten.
Deze BREF bevestigt ook de link tussen bulkchemicaliën en geïntegreerde installaties:
'LVOC processes are usually located on large, highly integrated production installations that confer advantages of process flexibility, energy optimisation, by-product re-use and economies of scale.'
Met behulp van deze criteria kan je voor de meeste chemische processen een onderscheid maken tussen bulkchemicaliën en fijnchemicaliën. Eén enkel criterium geeft geen uitsluitsel, maar het gecombineerd voorkomen van een aantal kenmerken laat toe om uit te maken of het gaat over bulkchemicaliën of fijnchemicaliën. In geval van twijfel zal je in combinatie met de aspecten 'chemisch geïntegreerd' en 'industriële hoeveelheden' moeten afwegen of je een installatie of proces al dan niet onder rubriek 6 van bijlage 1 moet rekenen.
Anorganische basischemicaliën
De IED (rubriek 4.2) vermeldt de productie van anorganisch-chemische producten. Het m.e.r.-besluit onderscheidt zich hier van de IED door het alleen over 'basisproducten' te hebben, terwijl de IED het ruimer over 'producten' heeft.
4.2. De fabricage van anorganisch-chemische producten, zoals:
- gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride,
- zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur,
- basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide,
- zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat,
- niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide.
Deze opsomming is indicatief, en het gamma is beperkter dan bij organische stoffen. De relevante BREFs zijn:
- LVIC - Large Volume Inorganic Chemicals: ammonia, acids and fertilizers
- LVIC - Large Volume Inorganic Chemicals: solids and others
- Chlor-alkali manufacturing industry.
Ook deze BREFs leggen weer een link tussen de anorganische basischemicaliën en grote productievolumes, maar vermelden geen hanteerbare criteria voor de afbakening van bulkchemicaliën. De BREF voor fijnchemicaliën (speciality inorganic chemicals, SIC) geeft wel een aantal criteria om een onderscheid te maken tussen fijnchemicaliën en anorganische bulkchemicaliën:
| Criteria | LVIC (bulk) | SIC (fijn) |
|---|---|---|
| Productievolume | meestal hoog | meestal laag |
| Investering | zeer hoog | gemiddeld |
| Productomschrijving | formule | formule + effect, zuiverheid, formulering |
| Productdifferentiatie tov concurrenten | geen | wel - vaak op basis van prestaties |
| Toepassingen | groot aantal | beperkt aantal of zeer gespecialiseerd |
| Verkoopsargument | prijs | kwaliteit/prijs |
| Gebruikte grondstof | vaak minerale oorsprong | vaak een chemische stof opnieuw te verwerken of raffineren |
| R&D doel | procesoptimalisatie | creëren van nieuwe, op maat gemaakte toepassingen |
| Productie-integratie | verticaal, vaak geproduceerd bij de bron van de minerale grondstof | vaak geproduceerd op een LVIC-site als aanvullende productie |
| Wie maakt aankoopbeslissing | aankoopdienst | technisch/productiepersoneel van de klant |
| UBA stelt indicatieve drempel van 100 kt/jaar voor bulkchemicaliën | ||
Net zoals bij de organische chemicaliën geeft de BREF voor anorganische fijnchemicaliën (speciality inorganic chemicals) aan dat niet noodzakelijk alle criteria aanwezig moeten zijn. Toch laat deze tabel, gecombineerd met de indicatieve oplijsting en de afbakening van de anorganische verbindingen in de hierboven vermelde BREF's, toe om voor de meeste gevallen een correcte afweging te maken. De aanvullende aspecten 'chemisch geïntegreerd' en 'industriële schaal' zullen hier ook een factor spelen in de m.e.r.-plichtbeoordeling.
Basisproducten voor gewasbescherming en van biociden & farmaceutische basisproducten met een chemisch-biologisch procedé
Deze formulering is vrijwel identiek aan die van de IED. Het m.e.r.-besluit onderscheidt zich door het alleen over "basisproducten voor gewasbescherming en van biociden" te hebben. Beide rubrieken behoren tot de scope van de BREF 'organic fine chemicals'. Als voorbeelden van producten die hieronder ressorteren, vermeldt de BREF:
- actieve farmaceutische bestanddelen;
- biociden en producten voor gewasbescherming (actieve stoffen, zuiver of als mengsel, niet als formulering).
Wat deze categorieën betreft, kunnen we een onderscheid maken tussen de productie van werkzame of actieve stoffen en de verwerking ervan in een commerciële producten. De productie van actieve stoffen gebeurt doorgaans in grotere bedrijven en door middel van chemische omzettingen op (relatief) grote schaal. Dit wordt bedoeld met 'basisproducten' in de omschrijvingen van de IED en het m.e.r.-besluit. De formulering tot commerciële preparaten die klaar zijn voor gebruik, vindt plaats in kleinere bedrijven waarbij voornamelijk fysische processen gebruikt worden (mengen, oplossen,…). Dit wordt niet onder basisproducten begrepen.
Begrippen bijlage 2
Tussenproducten
Volgens REACH3 en de interpretatiegids van de Europese commissie zijn tussenproducten stoffen die geproduceerd worden voor of gebruikt worden in chemische processen om omgezet te worden in andere stoffen4 (syntheses). Ook de BREF's geven duidelijk aan dat tussenproducten geproduceerd worden om verder in de chemische industrie te gebruiken. Tussenproducten worden maar zelden als een finaal, niet verder om te zetten, eindproduct verkocht. Ze zijn een stadium tussen basischemicaliën en afgewerkte producten (zoals zepen, detergenten, geneesmiddelen, pesticiden, rubber, …).
Behandelen en vervaardigen
Rubriek 6a van bijlage 2 vermeldt het behandelen van tussenproducten en het vervaardigen van chemicaliën. Net als in bijlage 1, moet er sprake zijn van een productieproces waarbij chemische omzettingen plaatsvinden, zoals eerder toegelicht. Zuiver fysische handelingen vallen hier niet onder.
Chemische producten of chemicaliën
Voor het toepassingsgebied van de project-m.e.r.-screening moeten stoffen of mengsels voldoen aan twee criteria:
- De stoffen of mengsels moeten als gevaarlijk zijn ingedeeld overeenkomstig de CLP5-verordening en moeten minstens één gevarenpictogram als etiketteringselement hebben (zie etiket of sectie 2 MSDS).
- De stoffen of mengsels moeten geproduceerd zijn door een proces dat valt onder één van de volgende NACE-codes:
- NACE 20: vervaardigen van chemische producten
- NACE 21: vervaardigen van farmaceutische grondstoffen en producten
- NACE 22: vervaardigen van producten van rubber of kunststof
Chemische producten of chemicaliën zijn net als basischemicaliën geen voorwerpen.
Chemische industrie
De chemische industrie omvat alle bedrijven die grondstoffen of producten maken of bewerken via chemische processen of die gericht zijn op de opslag van chemicaliën (bv. een tankenpark).
Toepassing rubrieken
Bijlage 1
Als het voorgenomen project onder rubriek 6 van bijlage 1 valt, is de opmaak van een project-MER verplichting van rechtswege. Dit is het geval wanneer het project tegelijkertijd voldoet aan de volgende vier voorwaarden:
- Het betreft een productieproces waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn
- Fabricage van de stoffen gebeurt op industriële schaal;
- De stoffen worden geproduceerd door chemische omzetting;
- De stoffen die geproduceerd worden behoren tot één van de volgende groepen:
- organische basischemicaliën;
- anorganische basischemicaliën;
- fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);
- basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;
- farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé;
- explosieven.
Als een bedrijf een project wil realiseren voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200.000 ton of meer, moet volgens rubriek 25 van bijlage 1 ook een project-MER opgemaakt worden.
Bijlage 2
Als een bedrijf een project wil realiseren dat kleiner is dan deze drempelwaarde, valt het niet onder bijlage 1, maar mogelijk wel nog onder rubriek 6 van bijlage 2. Voor deze projecten moet een project-m.e.r.-screening opgemaakt worden, ongeacht de productiecapaciteit, indien het gaat om:
- de behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën;
- productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden;
- opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten behorend tot de chemische industrie.
Project-m.e.r.-screenings moeten enkel opgemaakt worden indien er vergunningsplicht of mededeling kleine verandering geldt voor processen met chemische omzetting of opslag van chemische stoffen. Deze verplichting geldt ook voor tijdelijke vergunningen. De VLAREM-rubrieken die hiervoor van belang zijn, zijn rubriek 7 (chemicaliën) en 16 (gassen) in geval van chemische processen en rubriek 17 (gevaarlijke stoffen).
Binnen de screeningsplichtige projecten (bijlage 2) kan er een groot verschil naar milieu-impact zijn. Vandaar dat bijkomende criteria aangewezen zijn om de diepgang van de project-m.e.r.-screening te bepalen. Volgende criteria kunnen aanleiding geven tot een meer uitgebreide screening (niet limitatief):
- ligging in of nabij gevoelig gebied op het gebied van natuur (SBZ, VEN, natuurreservaat, …);
- ligging in of nabij woongebied;
- een volledig nieuw bedrijf;
- grootte van het project of van de uitbreiding (bijvoorbeeld ten opzichte van de drempels in bijlage 1 of t.o.v. bestaande productie- of opslagcapaciteiten);
- cumulatie met andere projecten in de omgeving;
- specificiteit van het project (als bijvoorbeeld de aard van het project doet vermoeden dat een relevante milieu-impact kan worden verwacht).
Wijzigings- en uitbreidingsrubrieken
De essentie van een wijziging of uitbreiding is dat de aanpassing een intensiteitsverhoging van de m.e.r.-plichtige activiteit(en) tot gevolg heeft. Enkel veranderingen die redelijkerwijze kunnen leiden tot een verhoging van de intensiteit van een activiteit en/of die kunnen leiden tot een wijziging van het gebruik (intensiever gebruik) van de infrastructuur vallen onder de wijzigings- en uitbreidingsrubrieken (W/U-rubrieken). Veranderingen aan een project (of activiteit) die redelijkerwijze niet leiden tot een intensiteitsverandering, beschouwen we dus niet onder de W/U-rubriek. In geval van de chemische industrie vertaalt deze intensiteitsverandering zich in een toename van de productiecapaciteit of van de opslaghoeveelheden.
Voor algemene uitleg over wijzigings- en uitbreidingsrubrieken, zie aparte pagina. Hieronder enkele voorbeelden
Rubriek 25 van bijlage 1: Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200.000 ton of meer.
Een bestaande opslagterminal van 350.000 ton wordt uitgebreid met 70.000 ton. Deze uitbreiding zorgt ervoor dat het totale project 420.000 ton zal beslaan. De drempel van bijlage 1 is in casu 200.000 ton. Voor deze uitbreiding is dus enkel rubriek 13 van bijlage 2 van toepassing en is alleen een project-m.e.r.-screening nodig, tenzij er voor het oorspronkelijk project nog geen project-MER werd opgemaakt. Indien deze installatie opnieuw met 150.000 ton uitbreidt, zal dus opnieuw een project-MER nodig zijn, omdat de uitbreiding van 150.000 ton, samen met de voorgaande van 70.000 ton, cumulatief de drempel van 200.000 ton van bijlage 2 overschrijdt.
Rubriek 6 van bijlage1: 'Geïntegreerde chemische installaties…'
Een bestaande geïntegreerde chemische installatie voor de productie van organische basischemicaliën wenst haar productiecapaciteit uit te breiden met 80.000 ton/jaar. De reeds vergunde productiecapaciteit die ook in het destijds opgestelde project-MER beschreven is, bedraagt 250.000 ton/jaar. Het project omvat verschillende proceswijzigingen zoals het vergroten van bepaalde pompen en leidingen, een bijkomende destillatie-eenheid en enkele extra procesvaten.
Het uitbreidingsproject op zichzelf betreft geen geïntegreerde chemische installatie en valt dus niet onder rubriek 6 van bijlage 1. Omdat rubriek 6 van bijlage 1 geen drempelwaarden heeft, valt het uitbreidingsproject evenmin onder rubriek 29 van bijlage 1. Dit uitbreidingsproject valt bijgevolg onder rubriek 13 van bijlage 2. De exploitant moet enkel een project-m.e.r.-screening uitvoeren. Indien de uitbreiding groter zou zijn dan 200.000 ton/jaar, dan zou het project volgens rubriek 29 van bijlage 1 wel MER-plichtig geweest zijn.
1. Industrial emissions directive (Richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010)
2. Interpretation of definitions of project categories of annex I and II of the EIA Directive, 2015.
3. Europese verordening Registratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen (EC 1907/2006)
4. Richtsnoer voor tussenproducten; p.2
5. Verordening nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening nr. 1907/2006
![]()
- Geen labels