- Aangemaakt door Inge De Cat, laatst bijgewerkt door Katelijne Schoofs op dec. 17, 2025 9 minuten leestijd
Rubrieken
Bijlage 1 rubriek 20
Pijpleidingen met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km:
a) voor het vervoer van gas, olie of chemicaliën;
b) voor het vervoer van koolstofdioxidestromen voor geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations.
Bijlage 2 rubriek 3b
Industriële installaties voor
het transport van gas, olie, chemicaliën, stoom en warm water
het transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen
het transport van elektrische energie via ondergrondse leidingen en voor zover ze niet gelegen zijn binnen de rooilijnen van een openbare weg
Bijlage 2 rubriek 10k
Aanleg van buisleidingen voor transport en bijbehorende randvoorzieningen die niet gelegen zijn binnen de rooilijnen van een openbare weg
Het vervoer van koolstofdioxidestromen en het transport van elektrische energie is niet opgenomen in deze interpretatiegids.
Definities en begrippen
Onder de termen pijpleidingen of buisleidingen worden leidingen verstaan die gebruikt worden voor het transport van stoffen zoals olie, gas, chemicaliën, afvalwater en drinkwater. Het transport van elektriciteit wordt hier niet verder behandeld.
Nieuwe leidingen worden doorgaans aangelegd als onderdeel van een groter netwerk. Met lengte wordt de lengte bedoeld van de nieuw aan te leggen leiding of het te wijzigen onderdeel.
De bijhorende randvoorzieningen omvatten installaties die essentieel zijn voor het normaal functioneren van de leidingen, zoals compressorinstallaties, verdeelinstallaties, pompstations, schraapkolfstations, drukreduceerstations en dienstgebouwen. Deze voorzieningen horen bij de leiding en bevinden zich meestal direct naast of boven de leiding.
Industriële installaties omvatten leidingen en randvoorzieningen die instaan voor het transport van specifieke stoffen, zoals olie, gas, stoom of warm water. bepaalde stoffen (in dit geval olie, gas, stoom of warm water).
Transport wordt gedefinieerd als de verplaatsing van goederen tussen twee afzonderlijke locaties of sites. Leidingen die binnen eenzelfde bedrijf worden aangelegd, bijvoorbeeld voor het intern transport van stoom tussen installaties, vallen niet onder deze categorie.
Voor beide rubrieken van bijlage 2 staat de transportfunctie van de leidingen centraal. Distributieleidingen vallen niet onder deze rubrieken. Distributie verwijst naar de verdeling van stoffen vanaf de transportleidingen tot bij de eindgebruiker. Dit betekent dat leidingen van het gasdistributienetwerk (beheerd door de netbeheerders) en huisaansluitingen op het aardgasnetwerk niet onder deze rubrieken thuishoren. Deze interpretatie sluit aan bij de federale Gaswet1, waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen transport en distributie, ondermeer om te bepalen of een vervoersvergunning vereist is. Huisaansluitingen2 op het aardgasnetwerk vanaf de distributieleiding vallen sowieso buiten de project-m.e.r.-plicht, aangezien hiervoor geen vergunning dient te worden aangevraagd.
Toepassing rubrieken
Bijlage 1, rubriek 20
Wanneer een leiding wordt aangelegd voor gas, olie of chemicaliën over een lengte van meer dan 40 km én een diameter van meer dan 800 mm, is het opstellen van een project-MER verplicht.
Bijvoorbeeld:
- de aanleg van een aardgasvervoerleiding met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km.
Bijlage 2, rubrieken 3b en 10k
Indien een vergunningsplichtig project betrekking heeft op de aanleg van leidingen en/of randvoorzieningen voor transport, maar de drempelwaarden van rubriek 20 uit bijlage 1 niet overschrijdt, dan moet een project-m.e.r.-screening opgemaakt worden.
Bijvoorbeeld:
- de aanleg van een zuurstofleiding tussen 2 industriële sites over een afstand van 5,5 km.
- de aanleg van een warmtenetwerk (transportleiding van warm water) van een afvalverbrandingsinstallatie naar een nabijgelegen industrieterrein over een afstand van 7,5 km. De verdeling van het warme water over de verschillende sites op het industrieterrein wordt echter als distributie beschouwd en valt niet onder bijlage 2.
Wijzigings- en uitbreidingsrubrieken
Projecten die niet onder de hierboven vermelde rubrieken vallen, moeten getoetst worden aan de wijzigings- en uitbreidingsrubrieken van bijlage 1 en 2. Voor een algemene toelichting over wijzigings- en uitbreidingsrubrieken, zie aparte pagina.
Leidingen maken doorgaans deel uit van een leidingennetwerk. Een nieuwe leiding sluit vaak aan op een bestaande leiding, maar dit betekent niet automatisch dat ze als uitbreiding wordt beschouwd. In de meeste gevallen geldt een nieuwe leiding als een afzonderlijk project. Enkel in specifieke situaties zijn de wijzigings- en uitbreidingsrubrieken van toepassing, zoals bijvoorbeeld:
- het lokaal verleggen of verdiepen van een bestaande leiding
- wijzigingen of uitbreidingen aan randvoorzieningen
Rubriek 29 van bijlage 1 is enkel van toepassing op rubrieken met drempelwaarden. Aangezien rubriek 20 een drempelwaarde heeft, kan rubriek 29 (theoretisch) van toepassing kan zijn. In de praktijk gebeurt dit zelden. Een wijziging of uitbreiding zou dan bijvoorbeeld:
- een verlenging van een leiding met 40 km en diameter 800 mm
- een verlenging waardoor de totale lengte samen met de bestaande leiding 40 km (en diameter 800 mm) bedraagt.
Dergelijke verlengingen worden meestal als een nieuw project beschouwd, waardoor rubriek 29 niet van toepassing is.
Hoewel de wijzigings- en uitbreidingsrubrieken zelden van toepassing zijn op leidingprojecten, is de rubriek 13 uit bijlage 2 het vaakst relevant omdat hier geen drempelwaarden gelden.
Bijvoorbeeld:
✅ Valt wel onder de wijzigings- en uitbreidingrubrieken:
Voor de aanleg van een transportleiding voor aardgas van 50 km en diameter 1000 mm is destijds een MER opgesteld. Tien jaar later wordt een bestaande bovengrondse randvoorziening van 2500 m² in bijzonder beschermd gebied uitgebreid met 300 m². Deze uitbreiding valt onder bijlage 2 rubriek 13. Ook het lokaal verleggen van 200 m van de bestaande leiding (niet in beschermd gebied) om bijvoorbeeld de bouw van een brug mogelijk te maken valt onder bijlage 2 rubriek 13.
❌ Valt niet onder de wijzigings- en uitbreidingsrubrieken:
Voor de aanleg hoofdtransportleiding voor aardgas van 50 km en diameter 1000 mm is destijds een MER opgesteld. Tien jaar later wordt deze leiding doorgetrokken tot in een naburige gemeente (8 km verder). Het traject van 8 km wordt beschouwd als een nieuw project.
Een wijziging of uitbreiding kan ook onder een andere rubriek van bijlage 1 of 2 vallen, wat eveneens aanleiding kan geven tot een m.e.r.-plicht. Raadpleeg hiervoor de relevante handleidingen. Vaak gaat de aanleg van een leiding gepaard met andere ingrepen zoals een bemaling, een ontbossing of de aanleg van wegenis. Ook deze ingrepen kunnen vergunningsplichtig zijn en kan in dat geval milieueffectrapportage van toepassing zijn. Let op: indien een project voor verschillende projectonderdelen onder verschillende bijlagen valt, moet de procedure van de strengste (laagste) bijlage gevolgd te worden. Bijvoorbeeld: als een project zowel de aanleg van een leiding omvat die onder bijlage 1 valt, als een bemaling die onder bijlage 2 valt, dan moet een project-MER opgemaakt worden voor het volledige project, zowel de aanleg van een leiding als de bemaling.
Aandachtspunten project-m.e.r.-screening
Voor de opmaak van de project-m.e.r.-screening kan je gebruik maken van de project-m.e.r.-screeningstool (zie handleiding). In de project-m.e.r.-screening kan verwezen worden naar informatie die in andere documenten van het vergunningsaanvraagdossier is opgenomen. Het is niet nodig om de informatie dubbel ter beschikking te stellen. Meer informatie over de project-m.e.r.-screeningsprocedure vind je in de algemene handleiding project-m.e.r.-screening.
Aandachtspunten voor leidingen:
Lucht
- Leidingprojecten veroorzaken in het algemeen geen tot weinig aanzienlijke luchtemissies.
- De meeste impact kan verwacht worden tijdens de aanlegfase door de inzet van zwaar materiaal en/of het transport met verbrandingsmotoren. De impact is tijdelijk en normaal niet aanzienlijk.
Bodem en grondwater
- Er is kans op bodem- en/of waterverontreiniging door eventuele calamiteiten of incidenten. Door zorgvuldig te werken tijdens de volgens de geldende regelgeving en het nemen van de nodige maatregelen (lekbakken, ….) wordt dit risico tot een minimum te beperkt zodat ook hier geen aanzienlijke effecten verwacht worden.
- Voor ondergrondse leidingen moet altijd nagegaan worden of de werken plaatsvinden in een zone waar reeds bodemverontreiniging voorkomt. Indien dit het geval is, dient nagegaan te worden of er een risico bestaat dat door vergraving of een eventuele bemaling deze verontreiniging kan worden verspreid.
- Bij de aanleg kan een bemaling noodzakelijk zijn om de de sleuf droog te houden. Belangrijk hierbij is:
- bemalingsdiepte
- bemalingsduur
- maatregelen die genomen worden om de impact te beperken zoals gesloten bouwput, retourbemaling en ontijzering voor lozing
- onderscheid maken tussen reguliere aanleg in open sleuf en locaties met bijzondere aanlegtechnieken waarbij een diepere/grotere bemaling vereist is (bijvoorbeeld diepe persput)
- locatie lozingspunt bemalingswater
- afstand tot kwetsbare zones: verdrogingsgevoelige bodemtypes (bv. aanwezigheid van veen), beschermde verdrogingsgevoelige vegetaties, grondwaterwinningen in directe omgeving.
- Inzet van zwaar materiaal kan leiden tot bodemverdichting, verslemping en korstvorming. Dit is een aandachtspunt wanneer de leiding wordt aangelegd in natte en zware bodems. Mogelijke maatregelen om eventuele verdichting tegen te gaan zijn bijvoorbeeld gebruik van rijplaten, aangepaste bandenspanning, voorzien van een zandbaan.
- Profielwijziging kan optreden door vergraving waardoor de oorspronkelijke gelaagdheid van de bodem wijzigt. De ernst is afhankelijk van de authenticiteit van de bodem, de oppervlakte van de verstoring en het bodemgebruik. Dit is een aandachtspunt wanneer nog onaangetaste gronden doorkruist worden.
- De werken gaan ook gepaard met grondverzet. Hierbij moet nagegaan worden of er een grondoverschot verwacht wordt door het inbrengen van de leiding in de bodem, of er een andere bodem aangevoerd moet worden (bv. omwille van stabiliteitsredenen) of dat er een gesloten grondbalans verwacht wordt.
Geluid en trillingen
- Bij de aanleg kan de inzet van zwaar materiaal en transport voor geluidsemissies en trillingen zorgen. Hierbij dient de ligging ten opzichte van kwetsbare receptoren en verstoringsgevoelige fauna nagegaan worden. Argumenten zoals bijvoorbeeld de duur/tijdelijkheid van de effecten, het toepassen van projectgeïntegreerde maatregelen (bijvoorbeeld werken buiten de broedperiode of niet werken tijdens de avond/nacht) kunnen gebruikt worden om aan te tonen dat er geen aanzienlijke effecten verwacht worden.
Water
- Als het project gelegen is binnen overstromingsgevoelig gebied, moet verduidelijkt worden welke maatregelen ingezet worden ter compensatie van de overstromingsruimte.
- De watertoets moet uitgevoerd worden.
- Indien de ondergrondse leiding een waterloop kruist, kan het hier ook belangrijk zijn om aan te geven hoe deze kruising zal gebeuren (inkokering, omleiding, persing, boring, …).
Mobiliteit
- Dit is enkel relevant tijdens de aanlegfase. Alhoewel dit lokaal tijdelijk wel voor enige hinder kan zorgen, kan de impact hiervan redelijkerwijze als niet aanzienlijk beschouwd worden. Indien er afspraken met de politie en/of gemeente gemaakt zijn inzake omleidingen, transportroutes of signalisatie kan dit als projectgeïntegreerde maatregel vermeld worden.
Gezondheid en veiligheid
- Dit is enkel relevant tijdens de aanlegfase. De aanleg van leidingen kan wel voor tijdelijke hinder zorgen zoals geluidshinder, stofhinder of verkeershinder. Indien projectgeïntegreerde maatregelen genomen worden om deze te beperken, kunnen deze hier vermeld worden. Belangrijk hierbij is:
- afstand van de werken tot de dichtstbijzijnde bewoning of kwetsbare locaties?
- duur van de werken?
- periode van de werken (dag/avond/nacht)?
- is er een aanspreekpunt voor omwonenden tijdens de werken?
- worden er hoofdwegen gekruist, zijn er tijdelijke omleidingen voorzien, is de bereikbaarheid van de omgeving verzekerd?
- worden er maatregelen tegen stofhinder genomen?
- wordt de werfzone afgebakend of afgesloten?
- Afhankelijk van de te vervoeren stof kan het nodig zijn bijkomende informatie aan te leveren omtrent de veiligheidsrisico's bij calamiteiten (breuk, lek, ...) en de ligging (afstand) van het project tot kwetsbare functies of aandachtsgebieden.
Landschap
- Ga na of er tijdens de exploitatiefase randvoorwaarden of gebruiksbeperkingen gelden in de zone boven de ondergrondse leiding (verbod op het oprichten van constructies, verbod op diepwortelende vegetatie, verbod op diepe grondbewerkingen, …).
- Geef aan of na aanleg van de leiding het terrein in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt. Er zijn na aanleg van de leiding in landbouwgebied doorgaans geen beperkingen op reguliere landbouwactiviteiten te verwachten.
- Het landschapsbeeld kan wijzigen door het (al dan niet permanent) verwijderen van de vegetatie, de aanwezigheid van een voorbehouden zone, randvoorzieningen of door de aanwezigheid van bovengrondse leidingen. Als gebieden met een landschappelijke of erfgoedwaarde doorkruist worden dan dienen de effecten beter beschreven te worden. Deze motivatie kan gebaseerd zijn op onder andere volgende elementen:
- de lengte van de doorkruising van het gebied;
- de aanwezigheid van bovengrondse constructies en de eventueel projectgeïntegreerde maatregelen (voorbeeld: inkleding van de randvoorzieningenm.v. groenschermen of iets gelijkaardig);
- de beperking van de werkstrookbreedte om zo het kappen van bomen in bomenrijen of andere kleinschalige landschapselementen te vermijden.
- Ook het archeologisch erfgoed in de bodem kan aangetast worden door vergraving van de bodem. Mogelijke projectgeïntegreerde maatregelen zijn een archeologisch vooronderzoek of een archeologische begeleiding van de werken.
Biodiversiteit
- Wat betreft verzuring en vermesting moet de praktische wegwijzer stikstofdepositie gevolgd worden en eventueel een PAS-berekening .
- Bij de aanleg van leidingen kan er een rechtstreekse impact zijn op waardevolle natuur indien er in de werfzone vegetatie dient verwijderd te worden. De oppervlakte, waarde (volgens de biologische waarderingskaart) en de ligging ten opzichte van beschermde gebieden zijn belangrijke criteria bij het bepalen van de mogelijke aanzienlijke effecten. Mogelijke projectgeïntegreerde maatregelen zijn het beperken van de inname van biologisch waardevolle zones (bijvoorbeeld versmalling werkstrook, andere tracékeuze, beperking van de bemaling, …) en de heraanplant na de aanleg. Hou er wel rekening mee dat diepwortelende vegetatie vaak niet toegestaan is boven een leiding.
- In het kader van de project-m.e.r.-screening dient op beknopte en beschrijvende wijze aangegeven te worden of een eventuele bemaling een verdrogingseffect kan hebben op de nabije kwetsbare zone.
- Naast de directe impact door het rooien van vegetatie kan een leidingaanleg ook een indirecte impact veroorzaken zoals verdroging, rustverstoring, versnippering, lekken van de vervoerde producten, … .
- Indien er een (voortoets op) passende beoordeling of natuurtoets werd uitgevoerd, kan deze ook meegenomen worden in de project-m.e.r.-screening.
1. Wet betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (B.S. 7 mei 1965).
2. Leidingen die aangelegd worden binnen de rooilijnen van een openbare weg veroorzaken over het algemeen minder milieueffecten.
![]()
- Geen labels